Scharrelaar

In een bestand met mijn ‘woordenvoorraad’ bewaar ik kanshebbers voor een blogstukje, waarbij ik die woorden zo mogelijk voorzie van vindplaats en een korte toelichting. Een van die woorden is het woord ‘dwaalgast’, met in de toelichting dat het in een artikel had gestaan over de scharrelaar, ‘een vogel […] die ooit veel voorkwam maar nu een dwaalgast is’.*

Door dat ‘scharrelaar’ moest ik weer aan de kookaburra denken, die als ijsvogelsoort lid is van de ‘orde der scharrelaarvogels’. Voor mijn blogstukje over de kookaburra had ik, met enige moeite,  de verleiding weerstaan om het zijpad in te slaan naar de orde der scharrelaarvogels, maar toen ik de scharrelaar in mijn voorraadbestand weer tegenkwam ben ik toch verder gaan kijken.

Daarvoor moest ik eerst opzoeken hoe het ook alweer zit met die ordes en families in het dierenrijk. Op een site met ezelsbruggetjes vond ik de zin ‘Als Kleine Otters Fietsen Gaan Stelen’ voor de onderverdeling Afdeling, Klasse, Orde, Familie, Geslacht en Soort. Voor ‘Afdeling’ wordt bij dieren meestal de benaming ‘Stam’ gebruikt. ‘Afdeling’ is gangbaarder bij de indeling van het plantenrijk.

Onder de orde van de Scharrelaarvogels valt een aantal niet erg op elkaar lijkende families. Naast de familie IJsvogel (Alcedinidae) van de Kookaburra heb je ook de familie van de Scharrelaars (coraciidae). En die familie Scharrelaar is weer onderverdeeld in twee geslachten en twaalf soorten. Met ‘geslacht’ wordt in dit verband niet M/V/X bedoeld, maar een groep met een eigen naam. Het geslacht coracias heeft negen verschillende soorten, waaronder de ‘gewone scharrelaar’ (Coracias garrulus).

Het artikel waarin ik het woord dwaalgast was tegengekomen vermeldde ook dat de vleugel van zo’n gewone scharrelaar in 1500 door Albrecht Dürer is geschilderd: de aquarel ‘Flügel einer Blauracke’, 20cm x 19,6cm. Op het werk zelf, dat zich in de collectie van het Albertina-museum in Wenen bevindt, staat overigens het jaartal 1512. Dürer schilderde bovendien ook een dode scharrelaar ‘Tote Blauracke’.

In de vogelgids van Vogelbescherming Nederland is te lezen waaraan je een scharrelaar kunt herkennen (vooral dus aan zijn overwegend felblauwe verenkleed) en wat hun leefwijze is. Hij komt in Nederland in beperkte mate voor en geniet geen speciale bescherming: ‘Mocht u ergens in Nederland een scharrelaar aantreffen, bewaar dan uw afstand om verstoring te voorkomen. Het gaat vermoedelijk om een dwaalgast.’

* Wytske Versteeg, ‘Verlangen naar de verte’ , De Groene, 8 april 2021

Vijf jaar achter de sansevieria’s

Het Sansevieria-blog is jarig! Vijf jaar geleden, op 8 september 2017, begon ik na mijn pensionering aan dit blog met een aankondiging in Kantoorgang en een uitleg van de naam in Sansevieria’s. Op 13 september verscheen het eerste ‘echte’ blogstukje, Blikclipjes. Inmiddels heb ik 265 berichten gepubliceerd.

Nog steeds komen er in het blog uiteenlopende onderwerpen langs. In de aankondiging noemde ik een aantal thema’s die ik toen in gedachten had. Het thema met de meeste stukjes ontbreekt daarin echter: taal, met allerlei mij onbekende woorden die ik her en der tegenkwam en de ‘alfabetstukjes’. Taal heeft de afgelopen vijf jaar meer stukjes opgeleverd dan de categorie Schilderijen en collages!

De sansevieria’s staan er na die vijf jaar goed bij, ondanks een dipje na  mijn verhuizing (Sansevieria’s in nood). Ze hebben ook meermaals gefigureerd als model voor mijn schilder- en tekenwerk.

Misschien is het je al opgevallen: het menu naast (of onder) een blogstukje is veranderd. Waar eerst ‘Home’ stond (en waarmee je gewoon weer bij het blog uitkwam) staat nu ‘Home AdelaarArt’: een koppeling naar mijn website. Die koppeling stond eerst op een andere plaats als verwijzing naar mijn website, met onder meer voorbeelden van mijn schilder- en tekenwerk, mijn activiteiten op muziekgebied en informatie over mijn vertaalwerk.

website AdelaarArt.nl

Behalve het blog heb ik nu ook de vernieuwde website AdelaarArt.nl ondergebracht bij WordPress, waar ik hem gemakkelijker kan onderhouden en de koppeling met het blog eenvoudiger is. De inhoud is bereikbaar door op de verschillende knoppen/tegels te klikken. De site is (en blijft) ‘in opbouw’, dus is er regelmatig iets nieuws te zien. Nog niet alle tegels zijn klaar en nog niet alles staat op de juiste plaats, maar hopelijk is het duidelijk genoeg om een kijkje de moeite waard te maken. Op- en aanmerkingen zijn uiteraard welkom. Ik ben benieuwd naar jullie bevindingen.

Bastaardvloeken

Onlangs werd ik geattendeerd op een artikel* over de uitdrukking ‘goeie grutten’. Nu is ‘grut’ een taalvariant van ‘gort’ (gepelde, geslepen en geglansde gerst), maar de grutten in deze uitdrukking zijn bedoeld als een bastaardvloek. ‘Grut, grutten en grutjes zijn als begrippen etymologisch gezien een verbastering van God.’ Dus God werd gort werd grut.

Een bastaardvloek is een doelbewust verminkte vloek die daardoor onschuldiger klinkt, Van Dale noemt als voorbeelden jandorie, potvolblomme en jasses, maar er zijn er gemakkelijk nog veel meer te verzinnen, van jeminee tot sakkerju en getsiederrie. Iemand die aanstoot neemt aan echte vloeken hoeft zich dan niet gekwetst te voelen.

Een mooi voorbeeld kwam ik tegen in de NRC van 6 augustus 2022. In het zomeravondgesprek tussen Habtamu de Hoop (PvdA) en Kees van der Staaij (SGP), vraagt Van der Staay aan De Hoop naar het weeshuis waarin deze zat voordat hij werd geadopteerd.

Er stond niet bij hoe Vander Staaij hierop reageerde, of hij het eufemistisch afgekorte ‘Jeetje’ inderdaad minder erg vond dan de volledige hartenkreet ‘Jezus’.

Ik moet bij bastaardvloeken ook denken aan mijn verbazing toen ik ooit een van mijn nichtjes ‘chips’ hoorde zeggen, in plaats van ‘shit’. En mijn vader zei wel eens ‘gofferjune’, wat een variant is van ‘nondeju’ en dat is weer een verbastering van het Franse ‘au nom de Dieu’. Een bastaardvloek die nooit echt is ingeburgerd is ‘pollens’, een verzonnen kreet voor het personage Barend Servet van Wim T. Schippers.

De ultieme bastaardvloeken lijken me die van stripfiguren. De krachttermen worden in een plaatje zonder tekst weergegeven. De band met god of duivel is hier niet meer aan af te zien, dus hoeft niemand zich gekwetst te voelen. Het staat iedereen vrij er zelf iets bij te verzinnen, van de brave verbastering ‘o jemig’ tot een echte krachtterm als ‘godverdomme’.

* Historiek.net: ‘Goeie grutten! Grutjes! Herkomst en betekenis’ – Enne Koops – april 2022

Bonanza

Pas kort geleden merkte ik dat ‘bonanza’ niet alleen een naam is, maar ook een woord dat gewoon gebruikt wordt. Ik ken Bonanza als de naam van een televisieserie van vroeger, maar nu las ik in een ingezonden brief in de NRC het zinnetje ‘Het […] beleid van de ECB heeft voor een schuldenbonanza gezorgd.’

Dit uit het Spaans afkomstige woord staat inderdaad in het woordenboek, maar is pas na 1950 bekend geworden. Ook de etymologiebank kent het als een rijke ertsader of goudmijn.

De televisieserie Bonanza gaat over de familie Cartwright, vader Ben en zijn drie zoons, Adam, Hoss en Little Joe, die halfbroers van elkaar zijn. Rond 1860 wonen zij op de Ponderosa Ranch in het Wilde Westen van Amerika. Voor alle zekerheid keek ik even of ‘ponderosa’ misschien ook iets speciaals betekende. Een ponderosa blijkt een Amerikaanse den te zijn, de Pinus ponderosa. Best wel een passende naam, want in de serie zijn rond het huis inderdaad naaldbomen te zien.

Op YouTube staat de begintune, gezongen door Lorne Greene, die vader Ben speelt. Dat wijsje zit al gauw in je hoofd, merkte ik. Ook de Nederlandse tekst, van Co Hagendoorn, kwam weer boven, vooral het refrein, dat ik vroeger uit mijn hoofd kende.

‘Geen orkaan, Indiaan, brengt hen van de wijs

Een bandiet die hen ziet, onderbreekt z’n reis.

Rijden, schieten, af en toe wat drinken

Er is geen enkele cowboy, die daar niet van geniet.

In deze ‘vertaling’ ontbreekt het woord ‘bonanza’ uit de Engelse tekst, evenals de samenvatting en achtergrond van de serie die daarin uit de doeken wordt gedaan.

De serie stamt uit de jaren zestig en zeventig. Toen ik ernaar keek was ik een puber en hevig verliefd op Little Joe, van wie ik een foto op mijn kamer had hangen. Inmiddels heb ik een paar afleveringen weer eens bekeken, op ooit aangeschafte dvd’s die ik nog steeds niet had gezien. Ze beginnen niet met die begintune en ik kijk er nu toch wel met andere ogen naar. Helemaal in lijn met de toenmalige tijdgeest is het behoorlijk politiek incorrect (indianen!) en de rol van vrouwen is (uiteraard) erg stereotiep (als ze er al in voorkomen). Die van mannen ook, overigens. Toch was het leuk om terug te zien. Dat woord in die ingezonden brief boorde zowaar even een rijke nostalgische ader aan, een bonanza!

Kookaburra

Soms zoek ik ‘even’ iets op en volgt er een hele zwerftocht waarbij ik allerlei zijpaden insla. Vaak heeft waar ik dan terechtkom niets meer te maken met mijn uitgangspunt. Zo kwam ik onlangs van een konijn via een ezel bij de ijsvogel terecht, meer in het bijzonder bij de kookaburra.

Het begon met het woord jackrabbit, dat ik ontving via de nieuwsbrief van Wordsmith, die elke werkdag een Engels woord binnen een bepaald weekthema aflevert. Jackrabbit viel onder het thema ‘woorden die naar een dier zijn genoemd’.

In de omschrijving stond dat dit een combinatie was van jackass en rabbit. Een rabbit is een konijn, dat wist ik nog wel, maar jackass moest ik opzoeken: dat blijkt een ezel te zijn. Een jackrabbit is dus een konijn met ezelsoren. Dat beest wordt in het Engels echter ten onrechte zo genoemd, want het is eigenlijk een haas. De Nederlandse vertaling is ‘prairiehaas’.

Bij het opzoeken sloeg ik een zijpad in, want bij jackass stond behalve ‘ezel’ ook ‘laughing jackass’. Dat is echter geen ezel, maar een vogel: ‘reuzenijsvogel, kookaburra (lachvogel, Dacelo gigas)’. En zo belandde ik bij de kookaburra (Dacelo novaeguineae), een lachvogel die in Australië in het wild voorkomt. De naam lachvogel slaat op de roep van deze vogel die erg op de menselijke lach lijkt; in dit YouTube filmpje krijgen ze gaandeweg zelfs de slappe lach, wat op den duur best aanstekelijk is.

Ik zocht ook nog even door naar de reuzenijsvogel. Onder deze naam vond ik die niet, maar wel kwamen er verschillende soorten ijsvogels in beeld, die echter geen van allen ‘Dacelo gigas’ heten. Gigas betekent natuurlijk ‘reuze’. En Dacelo vond ik terug in een lijst met wetenschappelijke vogelnamen. Er waren vier soorten Dacelo, waaronder de gewone kookaburra of lachvogel. De kookaburra is dus een lid van de familie ijsvogel, een familie met meer dan 120 leden. En ijsvogels blijken weer lid te zijn van de orde der scharrelaarvogels.

De verleiding om het zijpad met de orde der scharrelaarvogels in te slaan heb ik met enige moeite weerstaan, want na dat ene dagelijkse mailtje was ik al minstens een uur aan het zwerven.

Teerling

Onlangs ging de schrijfopdracht van Prompt! over het geven van een uitleg bij een zegswijze die je vaak gebruikt of waar je een zekere affiniteit mee hebt. Daarvoor kon je zelf iets verzinnen of uitzoeken hoe het echt zat. Ik koos (uiteraard) voor het laatste, met als uitdrukking ‘de teerling is geworpen’. Het leek me ook heel geschikt als basis voor een blogstukje.

De betekenis van ‘de teerling is geworpen’ is min of meer vergelijkbaar met rien ne va plus bij roulette. Als de schijf draait kun je niet meer inzetten, als de dobbelsteen eenmaal rolt heb je er geen invloed meer op. ‘Teerling’ is namelijk een oud woord voor dobbelsteen. Het is afkomstig van het oud-Franse faire terne, waarbij je met drie stenen hetzelfde getal moet gooien of met alle stenen een drie.

De uitdrukking zelf is een vertaling van het Latijnse alea iacta est of iacta alea est, een uitspraak die wordt toegeschreven aan Caesar. Hij zou dit hebben gezegd toen hij met zijn leger de rivier de Rubicon was overgestoken. De Romeinse Senaat had de veldheren met hun legers ten strengste verboden die grens over te gaan, want dat zou te bedreigend zijn voor Rome. Toen Caesar dat toch had gedaan, was dat zijn eerste stap naar een staatsgreep. Als zo’n besluit eenmaal is genomen en uitgevoerd, zullen de gevolgen daarvan geaccepteerd moeten worden: er is geen weg terug meer.

[César Franchit le Rubicon – Adolphe Yvon – 1875]

Dat ik voor deze uitdrukking had gekozen komt natuurlijk enerzijds omdat teerling zo’n mooi oud woord is, maar anderzijds ook omdat de betekenis iets in me aanspreekt. Het roept een bepaald gevoel op. Elke keer als ik een brief op de post doe roept het laatste duwtje waarmee hij  in de gleuf verdwijnt dat gevoel op. Datzelfde gevoel heb ik ook regelmatig als ik bij een mailtje op de sendbutton druk.

Natuurlijk hangt het in beide gevallen af van wat ik verstuur. Bij gewone verjaardagskaarten heb ik het minder dan bij officiële papieren of een ‘echte’ brief, en bij mailtjes vooral bij het opsturen van een vertaling of mijn belastingaangifte. Dat gaat dan vergezeld van een diepe zucht en de gedachte:  ‘Daar gaat-ie dan.’  Inderdaad: dan is de teerling geworpen.

Opera Mis!

Afgelopen weekend heb ik meegedaan aan een scratchconcert. Ter gelegenheid van het Delft Chamber Music Festival (oftewel het Delfts Kamermuziekfestival) was er een scratch georganiseerd met een ‘mis’ die door de dirigent, Rick Schoonbeek, was samengesteld uit delen van missen van drie bekende operacomponisten: Puccini (Messa di Gloria), Verdi (Requiem) en Rossini (Petite Messe solennelle).

Er deden bijna honderd mensen mee, onder wie een handvol leden van Cantarella, ‘mijn’ koor. Op de zaterdag repeteerden we onze partijen, waarvan we werden geacht die thuis geoefend te hebben. Gelukkig kende ik de werken al behoorlijk goed, want van dat thuis oefenen was het nauwelijks gekomen. We werden bij de repetitie geholpen door een fantastische pianiste, Andrea Vasi, die ook het concert op de piano begeleidde.

De locatie kende ik nog niet: de theaterzaal van Gebouw X van de TU Delft, ergens in een uithoek van de campus. Volgens de informatie is dat goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Wat er niet bij stond was dat dit niet geldt voor het weekend. Maar het was mooi weer en op de fiets was ik er ook op tijd. X bleek een onoverzichtelijk nieuw gebouw waar studenten kunnen sporten en deelnemen aan culturele activiteiten. Er dook plotseling een waarschijnlijk ooit verdrongen herinnering op: in een grijs verleden, toen dit nog het sportveld van de TU was, heb ik daar een Coopertest afgelegd. Wat duurden die twaalf minuten lang! Volgens mij heb ik ze ook niet volgemaakt, nou ja, wandelend.

Zondagmiddag was er weer een repetitie, met aansluitend de generale, waaraan ook de drie solisten meededen. Van zeven tot acht hebben we deze OperaMis gezongen voor publiek, dat niet bepaald in groten getale was komen luisteren. Misschien had dat ook te maken met de locatie, waarvoor het vaak fout gespelde ‘verassend’ eindelijk eens toepasselijk zou zijn, namelijk de aula van het crematorium De Iepenhof. Op de plaats waar anders de kist staat was nu voor het koor een tribune opgesteld. We zaten heel dicht naast elkaar, wat na corona toch wel extra benauwd was.

Toch heb ik bij het concert lekker gezongen. Ik heb meteen zin om het Requiem van Verdi weer eens te zingen, want dat kwam er qua koordelen wat bekaaid vanaf.

Izabel

In het boek De meester en Margarita van Michail Boelgakov (vertaling Marco Fondse) wordt Margarita op een bepaald moment opgehaald door een izabelkleurige automobiel: ‘Er daalde een izabelkleurige open automobiel neer op de oever…’ Omdat ik geen idee had wat voor kleur dat was, heb ik dat opgezocht. De spelling izabel en isabel wordt overal (ook hier) door elkaar gebruikt.

Van Dale noemt izabel ‘verouderd’ en omschrijft het als ‘een kleur hebbend die bestaat uit een mengeling van geel en wit, maar waarin geel de overhand heeft’, met als tweede betekenis ‘paard met goudgeel, glanzend haar en witte of geelwitte staart en manen’.

Wikipedia noemt het een ‘bleekgele of perkamentachtige kleur’ en voegt eraan toe dat de benaming vooral wordt gebruikt voor paarden en vogels, maar ook voor konijnenrassen en honden. Voor konijnen kon ik geen verwijzing naar die kleur vinden, maar wel voor honden. Zo zijn er bijvoorbeeld isabelkleurige Dobermanns en kleine Italiaanse windhonden. Bij paarden worden met name lichtgekleurde palominopaarden isabelkleurig genoemd.

Behalve vogelsoorten die er expliciet naar zijn vernoemd, zoals de izabeltapuit en de izabelklauwier, wordt de term ook gebruikt voor een bepaalde groep kanaries: ‘bruine kanaries met gereduceerd melanine’. Daarbinnen zijn weer diverse kleurvarianten, zoals isabel geelivoor intensief, isabel wit dominant en isabel rood mozaiek.

Ook een paddenstoelensoort is ernaar vernoemd: het isabelkleurig breeksteeltje (geurloos, smaakloos en oneetbaar).

Het woord is afkomstig uit het Frans en is afgeleid van de persoonsnaam Isabel of Izabel. Als bron worden verschillende Isabella’s genoemd die volgens de bijbehorende verhalen een eed hadden afgelegd om geen schoon hemd meer aan te doen voordat een bepaalde stad was ingenomen. Dat gold voor Isabella van Spanje (1566-1633) tijdens het beleg van Ostende, dat drie jaar duurde, en voor Isabella van Castilië, ‘de katholieke’, (1451-1504) tijdens het beleg van Granada (dat negen maanden duurde). De jaartallen sluiten in ieder geval de eerste Isabella uit, want het woord komt al eerder voor. Maar het is natuurlijk een mooi verhaal en je krijgt meteen een indruk welke kleur je je erbij moet voorstellen. Over de geur zullen we het maar niet hebben.

Loopeenden

In mijn vorige stukje, over de inhaalles van de schildercursus, kwamen ze zijdelings even ter sprake: de loopeenden. Toen een van mijn medecursisten vertelde dat die vogels zo heten, dacht ik eerst dat ze me voor de gek hield. Thuis heb ik het op internet nog eens nagezocht en het bleek inderdaad te kloppen.

Officieel heten ze Indische loopeenden en ze worden ook wel flesseneend genoemd vanwege de vorm van hun romp. Die lijkt met wat fantasie inderdaad op een fles. Ze komen oorspronkelijk uit Indonesië, waar ze op de eilanden Lombok, Java en Bali gedomesticeerd waren. Op de markt, waar zelf naartoe moesten lopen, werden ze verkocht om hun vlees en eieren. Ze leggen namelijk zo’n 150 tot 200 eieren per jaar.

Rond 1850 werden ze door Europa en Amerika geïmporteerd, waar ze aan het eind van die eeuw heel populair werden. Er zijn daar toen ook allerlei kleurvarianten gefokt.

Zoals de naam al aangeeft vliegen ze niet. Ze lopen rechtop rond, net zoals pinguïns, en kunnen heel hard rennen. In het Engels heten ze dan ook ’Indian Runner Duck’.

Behalve dat deze vogels loopeenden heten werd ook gezegd dat de oer-Donald Duck op deze eenden is gebaseerd, maar dat heb ik op internet helaas niet kunnen verifiëren. Het lijkt me ergens wel plausibel, want Donald Duck is een lopende eend die af en toe ook heel snel rent. Zijn vorm is in de loop van de tijd geëvolueerd, maar met zijn lange nek en smalle borst heeft hij inderdaad wel iets van die typerende flesvorm.

Een mogelijk tegenargument is dat alleen de loopeendvrouwtjes kwaken (‘de vrouwtjeseend kan een zeer luide kwaak produceren’). De mannetjes komen niet verder dan een schor zacht geluid, maar in hoeverre je de stem van Donald Duck zo kunt karakteriseren moet iedereen zelf maar beoordelen. Op Youtube staan verschillende filmpjes, zoals Early to Bed en Chef Donald.

Maar mocht de oer-Donald afvallen als beroemde loopeend, dan is er in ieder geval nog de loopeend Ferdinand uit de film Babe.

Inhaalles

Dit seizoen hebben we door de coronamaatregelen een aantal lessen van de schildercursus gemist. Ter compensatie had Niels, onze docent, aan het begin van de ‘vakantie’ een workshop georganiseerd. Maandag gingen we een paar uur lang naar buiten om schetsen en foto’s te maken en dinsdag konden we de resultaten uitwerken in ons cursuslokaal in Open. En ter afsluiting gingen we borrelen en uit eten.

Helaas kon niet iedereen meedoen, want sommigen waren al op vakantie en anderen moesten overdag nog werken, maar uiteindelijk waren we maandag om elf uur met zijn vijven op de afgesproken plaats, van waaruit we de Joristuin en De Delftse Hout zouden verkennen. Van De Delftse Hout heb ik inmiddels al honderden foto’s en ik heb er ook al minstens twintig schilderijen van gemaakt, dus concentreerde ik me op de Joristuin.

In de wetenschap dat ik de volgende dag een schets of foto zou uitwerken keek ik daar toch wat beter om me heen dan tijdens een ‘gewone’ wandeling. Er waren heel veel vogels, viel me op. Ik weet nu ook dat die vogels geen ganzen waren, zoals ik dacht, maar loopeenden.

’s Avonds maakte ik een selectie van de foto’s die volgens mij in aanmerking kwamen. Ik had al besloten dat het een vierkant schilderij zou worden, op paneel. Dat is mijn favoriete formaat en ondergrond. De schetsen van de loopeenden zaten niet bij de selectie; dat kwam eigenlijk vooral omdat ik zo geconcentreerd met de foto’s bezig was dat ik ze vergeten was. De fotoselectie had ik uiteindelijk teruggebracht tot drie kandidaten

Dinsdag lukte het zowaar om op tijd te zijn, tien uur, wat voor mij best vroeg is. En toen aan de slag. De definitieve keuze viel op de foto die ik achter het gebouw van Historisch Joris had genomen, met de gele brandkraan als opvallend element.

Een hele dag schilderen: wat een luxe! Toch kreeg ik tegen het einde een beetje een race-tegen-de-klok-gevoel dat me deed denken aan Heel Holland Bakt, wanneer de kandidaten nog vijf minuten hebben om hun creatie af te maken. Met het schilderij is dat me niet helemaal gelukt. Na de vakantie wil ik er de laatste hand aan leggen. Dat kan gelukkig, want in augustus begint het nieuwe seizoen en ik heb me weer ingeschreven.

Voorlopig resultaat