Kerstzang 2023

Na een aantal jaren waarin mijn kerstzang beperkt bleef tot deelname aan het ad hoc-koor voor de kerstreis van Swetterhage (2017, 2018 en 2022), en terwijl ik in de coronatijd hooguit mee kon zingen met de computer of met een cd, heb ik deze week drie dagen achter elkaar  gezongen. Jammer genoeg had ik door een hardnekkig hoestje last van mijn stem, maar mijn plezier was er niet minder om.

Op maandagmiddag was er ‘kerstsamenzang’ in De Bieslandhof. De grote zaal was prachtig verlicht en sfeervol aangekleed. De teksten werden op een scherm geprojecteerd en iedereen zong enthousiast mee. De zang, begeleid door Leo aan de piano, werd afgewisseld met korte gedichten over het thema ‘licht’. Helaas was het na drie kwartier alweer afgelopen. Iedereen kreeg als aandenken een zakje mee met een kerstbonbon en een waxinelichtje.


Op dinsdag repeteerden we bij Cantarella tot de pauze en was er daarna een het ‘open podium’ waar verschillende leden optraden. Ondanks mijn stemproblemen waagde ik het erop weer een solo te zingen: ‘Little Donkey’. Ik werd begeleid door onze vaste pianist Rutger de Ronde, die me een paar keer heeft gered toen mijn stem niet direct aansloeg en het omslaan van de blaadjes even misging. Het lied moedigt het voortploeterende ezeltje aan dat met de hoogzwangere Maria op weg is naar Bethlehem: ‘Volhouden, je bent er bijna.’ Eigenlijk was dat het enige kerstliedje die avond, de andere bijdragen waren ‘gewone’ stukjes, vocaal en instrumentaal, maar wel mooi.


Woensdagmiddag ten slotte had ik eindelijk weer eens een echt kerstconcert. Met het Vrouwen Kamer Koor Delft, waarin ik sinds september meezing, traden we onder leiding van dirigent Steven van Wieren op voor bewoners van de Vermeertoren en bezoekers van de dagbesteding daar. Op het programma stonden ‘oude bekenden’ van me, zoals een aantal Engelse Carols, sommige met een Nederlandse tekst, maar ook een paar liedjes die ik tot dan toe nog niet had gezongen, afgewisseld met Nederlandse ‘klassiekers’ die  iedereen kon meezingen. Tussen de koorstukken werden een paar toepasselijke gedichten voorgelezen en twee keer was er een ‘muzikaal intermezzo’ door Henny van Buijtene die ons aan de piano begeleidde.

Dit jaar ben ik qua kerstzang dus aardig aan mijn trekken gekomen. Een paar hardnekkige wijsjes moet ik nu weer uit mijn hoofd zien te krijgen, maar dat gaat lukken.

Allemaal prettige kerstdagen gewenst, al dan niet met stemmige samenzang.

Marmottenlied

Op het ‘open podium’ van een feest van mijn zangkoor Cantarella heb ik een paar liedjes gezongen, waaronder het ‘Lied des Marmottenbube’, ook wel bekend onder de eerste regel ‘Ich komme schon durch manche Land’. Ludwig van Beethoven (1770-1827) schreef dit op een tekst van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Goethe kreeg inspiratie voor dat lied toen hij zag hoe gevluchte kinderen uit het door Frankrijk geannexeerde Savoye op jaarmarkten of in herbergen geld bij elkaar bedelden door hun marmot kunstjes te laten vertonen.

Van een marmot weten we dankzij het roemruchte televisieprogramma Wie wil er mijn marmotje zien van Han Rensenbrink uit de jaren vijftig: ‘Hij kan dansen, hij kan springen, hij kan mooie liedjes zingen’. In dat programma ging het overigens volgens mij niet om een marmot, maar om een cavia. De alpenmarmot, de soort waarmee in de historische regio Savoye geld werd verdiend door ze tentoon te stellen, is in ieder geval een stuk groter dan het beestje op de televisie. De alpenmarmot kan een halve meter lang worden. Hij is ook befaamd om zijn winterslaap; hier komt de uitspraak ‘slapen als een marmot’ vandaan.


Goethe was dus geraakt door het lot van die kinderen en in 1778 nam hij in zijn theaterstuk Das Jahrmarktsfest zu Plundersweilern een scene op waarin een boerenjongen, die hij toepasselijk Marmotte noemt, de tekst voordroeg waarop Beethoven in 1805 de bekende melodie componeerde (Opus 52 nr 7). De omstanders belonen de jongen met wat kleingeld.


De tekst heeft vier coupletten, elk gevolgd door een refrein met een aantal herhalingen van ‘avec que la Marmotte’. Ik heb alleen het eerste en laatste couplet gezongen, vrij vertaald: ‘Met de marmot heb ik al menig land bezocht en altijd vond ik iets te eten… Laat mij nu niet zomaar gaan, beste mensen, want jongens eten en drinken graag.’

[foto Netty Zeegers]

Op YouTube staan uitvoeringen in verschillende tempi en met verschillende bezettingen: van ‘gewoon’ solozang met piano door gerenommeerde zangers als Ian Bostridge (piano: Antonio Pappano) en Dietrich Fischer-Dieskau (piano: Hertha Klust) tot een onbegeleid duet Susanne Polzer und Christina Fischer en een kinderkoor: Nieuw Amsterdams Kinderkoor.

Muziek kan niet zonder stilte

Tijdens de zomermuziekweek ‘Muziek zit tussen je oren’ kwamen in de lezing van Leo Samama over Stilte in de muziek verschillende thema’s langs uit de andere bijdragen, zoals retoriek en het belang van de context bij het luisteren naar muziek. Dat heb ik gecombineerd tot de volgende samenvatting.

Pas sinds zo’n 150 jaar is het gebruikelijk om stil te zijn tijdens een concert en componisten als Haydn moesten hun publiek tot stilte dwingen om aandacht voor de uitvoering van hun muziek te krijgen. Dat afdwingen kan bijvoorbeeld door vertoon van virtuositeit of door met behulp van retorische trucs een (spannend) verhaal in te bouwen. Rusten en onverwachte pauzes waren daarbij een deel van de trukendoos. Als je mensen wilt dwingen tot actief luisteren, kun je trouwens het beste vanuit stilte beginnen, niet vanuit forte terug naar piano. Dat geldt ook algemener, bij repetities bijvoorbeeld, of bij beeldende kunst: zo nodigen schilderijen als White Painting van Rauschenberg uit tot actief kijken. De stilte is dan in wezen een retorische truc om spanning op te bouwen.


We luisteren nooit onbevangen naar muziek, ook de historische achtergrond speelt een rol. Zo werkten componisten in de Barok met affecten, bepaalde codes die een vaste, algemene betekenis hadden. De toenmalige luisteraars herkenden die betekenissen, bijvoorbeeld bij de weergave van natuurverschijnselen. Zo was het gerommel van de donder in de bassen in ‘Sind Blitze, sind Donner’ uit de Matthäus Passion al lang voor Bach een manier om onweer weer te geven. Met name de aristocratie was daarmee van jongs af aan vertrouwd. Met de opkomst van de burgerij veranderde ook het concertpubliek. Voor componisten werd het belangrijk om te weten voor welk publiek ze schreven, meer op het effect gericht. Wel herkenden veel mensen ook toen nog vaak de betekenis, bijvoorbeeld vanuit de vaste teksten voor bepaalde kerkelijke hoogtijdagen of populaire melodietjes die we nu allang vergeten zijn. Doordat we de affecten niet meer automatisch herkennen, moeten ook wij het meestal hebben van de effecten.


Eigenlijk is het nooit helemaal stil. Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog hoor je tegenwoordig bijvoorbeeld overal muzak, geluid waarnaar je niet echt luistert. Verschillende componisten hebben dat feit becommentarieerd, van wie John Cage met zijn 4’33” stilte de bekendste is. Andere voorbeelden van stille muziek staan op het muziekblog LetsGroef. Bij het beluisteren van dergelijke werken ervaar je geen doelbewust opgesteld geluidsdecor, maar word je je bewust van omgevingsgeluiden, zoals de ademhaling van degene die naast je zit, het gerinkel van koffiekopjes in de foyer of het rommelen van je eigen maag.  De stilte fungeert dan als een soort spiegel, waarin je verbeelding zelf de muziek tot stand brengt. Zo bekeken is een partituur, die zelf niet klinkt, altijd aanleiding tot allerlei denkbare uitvoeringen. Bovendien ervaart een luisteraar een muziekstuk elke keer anders, want de betekenis die je er al luisterend aan geeft wordt mede bepaald door herinneringen aan vroegere uitvoeringen en de context waarin je op dat moment zit te luisteren.

Zomermuziekweek ISVW 2023

Eind juli heb ik bij de Internationale School voor Wijsbegeerte de zomercursus over muziek gevolgd. Deze keer was het thema evenals in 2021 ‘Muziek zit tussen je oren’. We kregen drie lezingen per dag voorgeschoteld over muziek-filosofische onderwerpen, de ene wat abstracter dan de andere, maar over het algemeen was het goed te volgen. De in 2023 verschenen essaybundel Muziek zit tussen je oren. Muziekfilosofische beschouwingen onder redactie van Erik Heijerman en Albert van der Schoot was de basis voor deze cursus.

We begonnen met enkele historische benaderingen in de muziekfilosofie. Die waren ook in 2021 langsgekomen en in mijn blogstukje over die muziekweek en een vervolgstukje over de proportiecanon heb ik er al eens kort naar verwezen, maar het kan geen kwaad ze nog eens te noemen.

Voor de pythagoreërs was muziek een kwestie van getalsmatige verhoudingen, proporties. Zo heeft het octaaf, het interval dat je krijgt wanneer je een snaar op een monochord halveert, een verhouding van 1:2. Op die manier kun je ook andere intervallen weergeven als verhoudingsgetallen en daarmee een theoretisch bouwsel construeren dat niet alleen voor de muziek geldt, maar voor de hele kosmos.

Na deze pythagoreïsche proportieleer richtte de muziekfilosofie zich op een mimetische benadering, met de stelling dat muziek een buitenmuzikale betekenis overbrengt, bijvoorbeeld een gemoedstoestand. En in de negentiende eeuw dook er een formalistische opvatting op. Daarin geeft muziek met muzikale middelen klinkend vorm aan louter muzikale ideeën. Deze absolute muziek bestaat los van alle zaken buiten de muziek, zoals die gemoedstoestanden.

In de eenentwintigste eeuw benadert men muziek vanuit weer een andere invalshoek. Nu richt de kritische filosofische blik zich niet zozeer op de muziek als object, maar op onze ervaring van muziek. In navolging van Kants ‘durf te denken’ werd het motto ‘durf te luisteren’. In de huidige muziekfilosofie staat dan ook de rol van de luisteraar centraal.

Vanuit dit perspectief werden tijdens de cursus in 2021 al enkele aanzetten tot kritische analyse besproken. Dit jaar werd dieper ingegaan op thema’s als muziek en verbeelding, gesitueerde kennis, stilte in de muziek (zie ook mijn vorige blogstukje over In futurum), retorica, metaforen en actief luisteren. Samengevat (en heel kort door de bocht) komt het hierop neer. De klanken die we horen zijn meteen weer weg. Een luisteraar geeft bij de uitvoering van een muziekstuk altijd zelf betekenis aan het gehoorde, door dat aan en in te vullen. Daarbij spelen al diens eerdere ervaringen met zo’n muziekstuk en de context van de uitvoering een grote rol. Zo ervaart en maakt iedereen keer op keer zijn of haar eigen uitvoering, die ook voor de betreffende luisteraar telkens anders is. Kortom: muziek zit tussen je oren.

In futurum

Ik ben geneigd allerlei bladmuziek te bewaren. Zo heb ik mappen vol kopieën van losse muziekstukken die ik ooit bij een scratch heb gezongen. In een andere bewaarmap zitten uitgeprinte muzieknotatiegrapjes en -raadsels, zoals de proportiecanon van Josquin Deprez die ik twee jaar geleden in een blogstukje heb beschreven. Een andere verrassende ‘partituur’ die ik me herinnerde was volledig uit rusten opgebouwd, maar toen ik die onlangs zocht kon ik hem nergens meer vinden. En ik wist de componist noch de titel, dus opzoeken was een probleem.

Maar nu zag ik hem onverwachts terug tijdens de zomermuziekweek aan de ISVW tijdens een lezing van Leo Samama, die een boeiend verhaal had over ‘stilte in de muziek’. Hij noemde als voorbeeld het beroemde 4’33” van John Cage, waarin de musicus vier minuten en drieëndertig seconden niets laat horen. Het publiek wordt zich daardoor  bewust van allerlei omgevingsgeluiden. Van dit stuk bestaan heel veel uitvoeringen, voor uiteenlopende instrumenten.

En een tweede voorbeeld was het muziekstuk dat ik nooit meer terug had kunnen vinden! Nu weet ik dus de naam van de componist en van het werk. Het werd geschreven in 1919, meer dan dertig jaar vóór het stuk van John Cage, door Erwin Schulhoff (1894-1942) en is het derde deel van diens Fünf Pittoresken Opus 31 voor piano solo. De titel, ‘In Futurum’, in de toekomst, geeft als het ware aan dat het nog moet klinken.

.

De partituur bevat behalve allerlei rusten voor beide handen aanwijzingen voor de wijze van spelen: ‘het hele lied met expressie en gevoel naar believen, voortdurend, tot aan het eind!’ De tempoaanduiding komt neer op ‘geen’ (’Zeitmass – zeitlos) en een GP ‘generale pauze’ noemt hij een ‘maarschalkpauze’. Om het karakter aan te geven gebruikte Schulhoff een soort oersmileys en de frasering markeert hij met vraagtekens en uitroeptekens.

.

Met deze partituur droeg hij bij aan het dadaïsme, een culturele beweging die na de Eerste Wereldoorlog de vaste normen van de burgerlijke kunst onderuit wilde halen. Op YouTube staat een uitvoering van dit stuk door Gerard Bouwhuis tijdens een concert van de Ebony Band op 25 april 2013 in het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam.

Rossini

Veel lezers van dit blog weten het al en sommige doen zelf mee: vrijdag 9 juni 2023 voert Cantarella de Petite Messe Solennelle van Gioachino Rosssini uit in de Raamstraatkerk in Delft. Voor de andere lezers: kom vooral luisteren, het is de moeite waard en voor een gevulde zaal zingen we nog veel beter. Informatie en kaartverkoop via de website van Cantarella.

Rossini is vooral bekend als operacomponist. Ik herinner me van vroeger nog een langspeelplaat met zijn opera-ouvertures. Die vond ik prachtig, vooral die van Wilhelm Tell (Guglielmo Tell, 1829). En ik was geïntrigeerd door de titels, zoals Die diebische Elster, waarvan ik Inmiddels weet dat de oorspronkelijke titel La Gazza Ladra (1817) is, de stelende  ekster.

De ruim veertig opera’s die Rossini heeft geschreven heb ik lang niet allemaal gezien. Natuurlijk wel Il barbière di Siviglia (De Barbier van Sevilla; 1816) , met de aria van de barbier Figaro die zo virtuoos is geparodieerd door Dorus (Tom Manders).

Het gebed (‘Preghiera’) uit Mosè in Egitto (1818) had ik graag eens willen zingen, maar dat is er in mijn jaren bij het operakoor Die Delftsche Sanghers nooit van gekomen. Daarmee heb ik vroeger wel Rossini’s Stabat Mater uitgevoerd. Uit dat werk staat me vooral de tenoraria  ‘Cuius animam gementem’ bij, een prachtige aria, maar het uitbundige gejubel past niet echt bij de tekst. (‘Haar klagende ziel, medelijdend en vol smart, werd als door een zwaard doorstoken’)

En nu gaan we dus met Cantarella de Petite Messe Solennelle uitvoeren, met piano en harmonium. Die mis (uit 1863, dus lang na zijn opera’s geschreven) heb ik nooit eerder gezongen. Wel heb ik een keer blaadjes mogen omslaan voor Ronald Jochems toen hij bij een uitvoering ervan de pianopartij speelde. Dan heb je geen last van de ingewikkelde tekstplaatsing voor al die amens in de twee fuga’s.

Er bestaat trouwens ook een mis ter ere van Rossini: de Messa per Rossini. Op uitnodiging van Giuseppe Verdi schreven dertien componisten delen voor deze requiemmis. De bedoeling was om deze mis uit te voeren in 1869, een jaar na Rossini’s dood, maar dat is toen niet doorgegaan. Naderhand heeft Verdi zijn deel, het ‘Libera me’, herzien en opgenomen in zijn eigen Messa da Requiem.

Beroemd is verder de Tournedos Rossini: een ‘haasbiefstuk op een in jus gedrenkte crouton, geserveerd met in boter gebakken ganzenlever, enkele plakken geschaafde truffel, besprenkeld met madeira en vaak geserveerd met spinazie en aardappels’. Die heb ik nog nooit gegeten.


Beluisteren op YouTube:
Ouverture Guglielmo Tell – Symphonieorchester des bayerischen Rundfunks olv Mariss Janssons
Stabat Mater‘Cuius animam gementem’ gezongen door Luciano Pavarotti, London Symphony Orchestra olv István Kertész.
Mosè in Egitto‘Preghiera Dal tuo stellato soglio’, Orchestra e Coro del Teatro di San Carlo di Napoli olv Donato Renzetti.
Messa per Rossini – Radio-Sinfonieorchester Stuttgart des SWR olv Helmuth Rilling.

Participatiekoor Matthäus Passion

Eigenlijk is dit een tweedehandsstukje, want oorspronkelijk schreef ik het voor het blog van mijn zangkoor, Cantarella. Het leek me in deze paastijd met enkele kleine aanpassingen ook geschikt voor Achter de Sansevieria’s.

Op vrijdag 31 maart heb ik in de Raamstraatkerk een uitvoering bijgewoond van het Participatiekoor, met hoogtepunten uit de Matthäus Passion (MP). In de nieuwsbrief van Omroep West had ik er een artikel over gelezen en op de site van dat koor had ik de documentaire ‘Als klanken kleuren’ bekeken. Dat had me nieuwsgierig gemaakt naar dit optreden.

Het Participatiekoor is een ‘inclusief oratoriumkoor voor mensen met dementie’. In dat koor worden zangers met dementie bij het instuderen en het optreden ondersteund door ‘mantelzangers’. Het fenomeen Participatiekoor bestaat vijf jaar en ter gelegenheid van dit lustrum werd ook in Delft opgetreden. Het koor, in Delft versterkt met onder meer enkele leden van Toonkunst Rotterdam, werd begeleid door leden van het Holland Symfonie Orkest en stond onder leiding van Ardjoena Soerjadi. De koorklank was stevig en kwam goed over, evenals het kleine orkest. De solisten en de gekozen dynamiek en tempi spraken me minder aan, maar uiteindelijk deed dat er allemaal niet toe. Het geheel heeft niet alleen door de achtergrond ervan indruk op me gemaakt (en natuurlijk is de MP altijd indrukwekkend, hoe dan ook uitgevoerd).

De inhoud van de MP kreeg voor mij deze keer namelijk een nieuwe invalshoek. Dat kwam met name doordat de rol van de evangelist was vervangen door een verteller die de tekst van de koralen en aria’s koppelde aan hoe iemand met dementie de reacties van de omgeving ervaart en omgekeerd. Dat gaf een koraal als ‘Mir hat die Welt trüglich gericht’ toch een andere lading. Daaruit sprak nu ook iets van de verwarring van iemand die niet goed meer snapt wat er om zich heen gebeurt.

Mocht ik ooit weer meedoen aan de MP, dan zal deze interpretatie mijn ervaring bij het zingen zeker mee kleuren.

Cantigas de Santa Maria

In de NRC las ik een interview met oudemuziekkenner Jan Van den Bossche naar aanleiding van zijn lezing over de Cantigas de Santa Maria. Deze Cantigas zijn een verzameling van meer dan vierhonderd middeleeuwse liederen over Maria, die zijn geschreven aan het hof van koning Alfonso X van Castilië, ook wel bekend als Alfons de Wijze of El Sabio (1221-1284).

Ik herinnerde me toen dat ik ooit op een luisteravond iets over die Cantigas had gezegd en ik zocht de tekst van mijn verhaal op. De ‘luisteravonden’ waren dinsdagavonden tijdens de zomervakantie, wanneer er geen koorrepetities waren. Elke week wierp iemand zich op als gastvrouw / -heer, en verzorgde een programma waarin deze zijn of haar favoriete muziek liet horen.

In augustus 2013 had ik zo’n avond georganiseerd rond het thema Oude muziek en daarbij had ik inderdaad ook iets verteld over die middeleeuwse Cantigas. Ze fungeerden toen als een ‘bruggetje’ tussen de kerkelijke en de wereldlijke muziek uit de middeleeuwen, die respectievelijk vóór en na de pauze aan bod kwamen. Het was het laatste deel vóór de pauze, zodat we aansluitend een drankje en hapje konden nuttigen, wat ook een belangrijk onderdeel van deze avonden was.

De Cantigas de Santa Maria bezingen Maria als bemiddelaar tussen het goddelijke en het aardse. Ze vertellen hoe zij mensen heeft geholpen die haar hulp inriepen (de cantigas de mirage). Elk tiende lied is een lofzang op Maria, een cantiga de loor. Als voorbeeld liet ik die avond nummer 249 horen, waarin Maria een bouwvakker helpt die van een stelling valt: ‘Aquel que de volontade’. Op YouTube staat een uitvoering van Ensemble Unicorn.

Er kwamen veel mannen naar Castrogeriz om geld te verdienen aan de bouw van de kerk van Alamzán aan de rand van de stad. Eén van hen werkte echter louter om de genade en gunst te verdienen van de Maagd. Hij was een vaardige steenhouwer; hij maakte de stenen vierkant en legde ze in rijen. Op een dag toen hij hoog boven in het gebouw aan het werk was, gleed hij uit en viel. Tijdens zijn val riep hij de Maagd aan en vroeg om hem te helpen. Hoewel hij van heel hoog viel en met zijn hoofd op de stenen terecht kwam was hij ongedeerd. Hij sprong overeind, rende naar het altaar en bedankte de Maagd. Ook alle andere aanwezigen dankten de Maagd voor dit wonder.

Een voorbeeld van een lofzang is nummer 200: ‘Santa Maria loei’, hier op You Tube uitgevoerd door Joel Cohen en The Boston Camerata.

Klavecimbel met tekst

Bij het bekijken van afbeeldingen van een aantal schilderijen van Vermeer viel mijn oog op een detail van het schilderij De Muziekles. Daarop zit een vrouw achter een toetsinstrument waarvan het deksel is opengeklapt en met enige moeite kon ik de tekst erop ontcijferen: Musica laetitiae comes medicina dolorum, wat min of meer te vertalen is als: ‘Muziek is metgezel van vreugde en geneesmiddel voor verdriet’.

Toevallig was ik kort daarna bij een concert waar klavecimbel werd gespeeld, en tot mijn verbazing stond op het deksel daarvan dezelfde tekst. Ik had wel vaker prachtig gedecoreerde klavecimbels gezien waarvan het deksel fraai beschilderd was, maar zo’n tekst was nieuw voor me.

Op internet vond ik daarna nog een paar andere klavecimbels met toepasselijke teksten: Sine scientia ars nihul est (‘zonder wetenschap is kunst niets’), en Dum vixi tacui morte dulce cano (‘toen ik leefde zweeg ik, nu ik dood ben zing ik lieflijk’). Dat laatste is een soort raadseltje. Hier is namelijk het hout aan het woord waarvan het instrument gemaakt is. Deze spreuk was vroeger best gangbaar bij instrumentbouwers en het is bijvoorbeeld ook de titel van een bloemlezing uit de renaissance met luitmuziek.

In hoeverre was zo’n tekst op een klavecimbel gebruikelijk? Op de cursus Filosofie en Kunst in Oost-Europa waar ik vorige week ben geweest, vroeg ik dat aan een daar aanwezige musicoloog. Behalve de fraaie beschildering waarmee mensen toonden hoe welgesteld ze waren, lieten ze er regelmatig stichtelijke (bijbel)-teksten op zetten, zoals  Sic transit gloria mundi (zo vergaat de roem der wereld). Op deze instrumenten werd immers vooral wereldlijke muziek gespeeld en dit werd geacht de mensen een beetje in het gareel te houden.

Het instrument op het schilderij van Vermeer wordt afwisselend een klavecimbel en een virginaal genoemd. Het verschil tussen die twee zit in de ligging van de snaren: bij een klavecimbel liggen die in het verlengde van de toetsen en bij een virginaal overdwars. Op het schilderij zien we dus een virginaal, en wel een ‘muselaar’: een Vlaams virginaal waarbij het toetsenbord aan de rechterkant zit.

Requiem voor een vogel

Wie wat bewaard, die heeft wat! In een oud bestandje vond ik een ‘gedicht’ terug uit juni 2010, met de titel Requiem voor een vogel. Dat had ik toentertijd geschreven naar aanleiding van een plat gereden vogel die ik tijdens een uitstapje op de snelweg vanuit de bus had zien liggen. Ik had het in het bestand ‘Ideeën voor Gedichten en muziekstukken’ neergezet, met de aantekening om het op muziek te zetten, en er vervolgens nooit meer aan gedacht.

Toen ik het onlangs bij toeval weer tegenkwam bent ik er alsnog mee aan de slag gegaan. Het oorspronkelijke ‘gedicht’ was:

Kijk!
Daar ligt een dode vogel
Op de weg
In de berm
Hij is platgereden
Wat zielig!
Ach!

Met als aantekening voor de muziek: doem-doem op pauk; minimal piano; zang: a-klein.

Voor de uitwerking tot een ‘vogelrequiem’ heb ik dat oorspronkelijke  gedicht aangepast en er een stukje voor zang met piano van gemaakt, dus zonder pauk. De herziene tekst was:

A-ha-haa, A-ha-haa. A-ha-ha-ha. Aha-haa.
Kijk daar ligt een dode vogel op de weg (Hij ligt op de weg.)
In de berm. (Hij ligt in de berm.)
Hij is overleden, heel vaak overreden.
Ligt daar op het asfalt als een dunne deken
Uitgesmeerd.
A-ha-haa. A-ha-ha-ha. Aha-haa.

Deze tekst was mijn houvast voor de sfeer, de frasering en de dynamiek. Inmiddels kan waarschijnlijk ook de ‘zang’ probleemloos weggelaten worden. Dan is het ‘gewoon’ een pianostukje. Anderzijds heb ik nog een vaag plan om (ooit) de ‘tweede stem’ uit te breiden.

Toen het stuk al zo goed als af was las ik in het Tijdschrift Oude Muziek een artikel over de bundel Lachrimae (‘Tranen’)* van de zestiende-eeuwse componist John Dowland. De stukken uit die bundel vertegenwoordigen elk een bepaald type traan; zo verwijst het deel met lachrymae antiquae, oude tranen, naar Dowlands eerdere luitlied Flow my Tears. Daarover wordt opgemerkt:  ‘Vallende tranen worden plastisch verklankt met een dalende reeks van vier tonen. Daarna maakt de melodie een affectieve sprong omhoog om vervolgens opnieuw vier stappen te dalen.’

Deze conventie is na al die eeuwen stevig verankerd in ons muzikale geheugen, want ook mijn vogelrequiem bevat van die dalende chromatische loopjes. Het is dan ook een uiterst larmoyant werkje geworden.

* Tijdschrift voor Oude Muziek  04-2022;  p.20-21; ‘De 7 tranen van Dowland’, Eddie Vetter