Smartlap – Moederke Alleen

Onlangs bezocht ik In het Huis van het Boek aan de Prinsessengracht in Den Haag de tentoonstelling Ruud de Wild, Songboek, een ‘reis langs de mooiste Nederlandse liedjes’ (duurt nog tot 5 maart 2023). Er waren heel wat ‘o ja’-momenten, bij liedjes die ik kende, en af en toe had ik sterk de neiging om mee te zingen of neuriën. Bij de afdeling smartlappen lag in een vitrine tot mijn vreugde een boekje dat was opengeslagen op een bladzijde met de tekst en muziek van ‘Moederke Alleen’ van componist Emiel Hullebroeck en René de Clercq.

Dat bracht me zo’n vijftig à zestig jaar terug in de tijd. We hadden toen een grammofoonplaat, Blijvend Applaus, Sterren van nu voor sterren van toen, vol smartlappen die toen al oud waren, gezongen door artiesten die in die tijd bekend waren. Dat ‘Moederke Alleen’, gezongen door Corry Brokken, vond ik als sentimentele (pre-)puber erg mooi.

En nu lag daar dat vergeelde boekje met de noten van de melodie en de tekst van de drie coupletten. Thuis ging ik op de computer verder op zoek. De uitvoering door Corrie Brokken vond ik terug op YouTube. Conclusie: je moet ervoor in de stemming zijn, zal ik maar zeggen. Op de LP Blijvend Applaus staat Moederke Alleen op kant A en op YouTube stond alleen de B-kant. Die heeft nog meer van die liedjes met een hoog nostalgisch gehalte, bijvoorbeeld de al even larmoyante smartlappen ‘Zusje’ en ‘Het antwoord van zusje’ (Corrie Brokken en Willeke Alberti), en ‘Jantjes Vuile Vingertjes’ (Willeke Alberti).

Op YouTube vond ik ook andere uitvoeringen van Moederke Alleen, bijvoorbeeld een versie in een swingend tempo en met een toeterbegeleiding, afkomstig van het album ‘Feest met de familie Neefs’, maar ook een sfeervolle instrumentale versie op harp door Katleen De Vylder.

In de koorwiki CPDL staan een pdf- en een midibestand voor vierstemmige a capella koor in een arrangement van Wim Verkaik. Misschien kunnen we deze mierzoete tranentrekker eens op een feestavond van Cantarella zingen.

Al met al heb ik me een paar uurtjes lekker in nostalgie kunnen wentelen.

Voor de volledigheid is hier de tekst:
1. Wie zal er ons kindeke douwen
en doet het zijn moederken niet?
Wie zal er zijn dekentjes vouwen,
dat ’t schaars door een holleken ziet?

Refrein: Kleine, kleine moederk’ alleen
Douw, douw, douwderideine.
Kleine, kleine moederk’ alleen.
Kan van uw wiegske niet scheên.

2. Wie zal naar ons kindeke kijken,
die bleuzenden stouten kapoen?
Wie zal er zijn hemdekes strijken,
zijn haarken in krullekes doen?
Refrein

3. Wie zou voor ons kindeke derven
haar laatste kruimelke brood?
Wie zou er, wie zou er voor sterven
en lachen op kind en op dood?
Refrein

Vogelzangles

Vrienden uit Zwitserland sturen me regelmatig knipsels en artikelen die met zingen en muziek te maken hebben. Zo kreeg ik afgelopen maand de brochure ‘Vogelstimme’, met allerlei wetenswaardigheden over vogelzang. Daarin kwam onder meer het aanleren van liedjes door zangvogels ter sprake.

Als voorbeeld van de vaardigheid om liedjes aan te leren werd de Gimpel , de goudvink, genoemd. Deze vogel wordt kennelijk vaak ‘onmuzikaal’ genoemd en Wikipedia omschrijft diens zang als ‘een zacht fluiten, regelmatig onderbroken door trillers en krassende geluiden’. De kleine vinkjes leren dat van hun vader, maar als ze door andere vogelsoorten worden opgevoed nemen ze de zang daarvan over: de kleine goudvinkjes blijken heel goede leerlingen.

In de achttiende eeuw werd op het leervermogen van zangvogels ingespeeld door gekooide jonge zangvogels bekende melodietjes voor te spelen die ze dan na leerden fluiten. In het artikel werd verwezen naar het boekje The Bird Fancyer’s Delight uit 1717, met 43 melodietjes, waarvan er 11 voor goudvinken bedoeld waren. Die werden dan bijvoorbeeld met een blokfluit voorgespeeld, bij voorkeur een sopranino. De Engelse naam voor een blokfluit, recorder, schijnt hiervan te zijn afgeleid via het Latijnse recordor: herinneren, onthouden.

Voor mensen die niet zo goed blokfluit konden spelenwaren er toentertijd speciale instrumenten om de vogels te leren zingen, zoals de serinette, afgeleid van het Franse serin, kanarie. Oorspronkelijk werd dit mechanische muziekinstrument dat fluitende tonen voortbrengt namelijk gebruikt om gedomesticeerde kanaries populaire deuntjes te leren fluiten. Daarom wordt het ook wel kanarieorgeltje genoemd.

Meer informatie over de werkwijze bij dit zangonderwijs aan vogels staat bijvoorbeeld in een uitgebreid (Engelstalig) artikel van Amy Miller, eveneens The Bird Fancyer’s Delight geheten [link voor niet-robots]. Daar zijn ook verschillende voorbeelden te horen. Naderhand werden de wijsjes uit dit boekje op hun beurt regelmatig bewerkt tot allerlei leuke stukjes voor bijvoorbeeld een of twee blokfluiten.

In 2011 heeft BBC Radio 4 een heel programma over The Bird Fancyer Delight uitgezonden, gemaakt door Sarah Angliss. Hierover heeft zij een artikel met achtergrondinformatie geschreven, met veel luisterfragmenten ter illustratie.

En omgekeerd heeft vogelzang natuurlijk veel componisten geïnspireerd, met Olivier Messiaen als bekendste. En ‘The Lark Ascending’, de opstijgende leeuwerik, van Ralph Vaughan Williams staat op plaats 24 van de klassieke top 400 van 2022 (Hier een uitvoering door Janine Jansen uit 2003).

Najaarsconcert Cantarella

Op  vrijdag 25 november geven we met Cantarella een najaarsconcert, ‘Herfststemmen’, dat enigszins afwijkt van onze gebruikelijke concerten. De uitvoering is namelijk niet in Delft maar in Schiedam, in de Grote of St. Janskerk, en we zingen deze keer niet met orkest maar met orgelbegeleiding.

Het verbaasde me wel dat we niet in Delft optreden, maar dat schijnt te maken te hebben met het orgel en de plaats daarvan ten opzichte van koor en dirigent. De titel ‘Herfststemmen’ is ons niet nader uitgelegd, maar daar valt van alles bij te verzinnen natuurlijk. In ieder geval hebben we een aantrekkelijk programma met werken van Duitse en Franse componisten.

De hoofdmoot van het programma is het Requiem van Duruflé (opus 9, 1947). Daarnaast voeren we als koor enkele losse, kleinere werken uit:

Geistliches Lied – opus 30 van Johannes Brahms. Brahms schreef dit lied in 1856 toen hij en de violist/dirigent/componist Joseph Joachim compositieoefeningen uitwisselden en bekritiseerden. Van die oefeningen is dit het enige wat naderhand uitgegeven werd, in 1864, als opus 30.

Hear my prayer van Felix Mendelssohn. Mijn eerste gedachte hierbij was waarom zingen we dat in het Engels? De oorspronkelijke versie uit 1844 (WoO15) blijkt echter inderdaad een Engelse tekst te hebben. Mendelssohn schreef het in opdracht van William Bartholemew voor een uitvoering in de Londense concertzaal Crosby Hall. In 1847 heeft Mendelssohn zelf nog een versie met een Duitse tekst gemaakt (Hör’ mein Bitten).

Cantique de Jean Racine van Gabriel Fauré (opus 11, 1865). Dit is natuurlijk een echte klassieker, met een notering op nummer 15 van de klassieke Top 400. Fauré schreef het toen hij negentien was en hij won er een eerste prijs mee bij zijn afstuderen.

Het Requiem van Duruflé (nummer 212 in de Top400, ook niet slecht)  is minder bekend dan dat van Fauré, waarvan Duruflé de structuur en de contemplatieve sfeer heeft overgenomen. Het werk bevat veel gregoriaanse melodieën en is opgedragen aan de nagedachtenis van zijn vader.

Op het programma staan verder een paar nummers voor onze solisten, de sopraan Meneka Senn  en de bas Gulian van Nierop. Alle werken worden op het orgel begeleid door Arjen Leistra en het geheel staat onder leiding van onze dirigent Dennis Broeders. Informatie over de kaartverkoop staat op website van Cantarella.

Hopelijk laat het publiek zich er niet van weerhouden om de reis naar Schiedam te ondernemen, want het belooft een mooi concert te worden.

Opera Mis!

Afgelopen weekend heb ik meegedaan aan een scratchconcert. Ter gelegenheid van het Delft Chamber Music Festival (oftewel het Delfts Kamermuziekfestival) was er een scratch georganiseerd met een ‘mis’ die door de dirigent, Rick Schoonbeek, was samengesteld uit delen van missen van drie bekende operacomponisten: Puccini (Messa di Gloria), Verdi (Requiem) en Rossini (Petite Messe solennelle).

Er deden bijna honderd mensen mee, onder wie een handvol leden van Cantarella, ‘mijn’ koor. Op de zaterdag repeteerden we onze partijen, waarvan we werden geacht die thuis geoefend te hebben. Gelukkig kende ik de werken al behoorlijk goed, want van dat thuis oefenen was het nauwelijks gekomen. We werden bij de repetitie geholpen door een fantastische pianiste, Andrea Vasi, die ook het concert op de piano begeleidde.

De locatie kende ik nog niet: de theaterzaal van Gebouw X van de TU Delft, ergens in een uithoek van de campus. Volgens de informatie is dat goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Wat er niet bij stond was dat dit niet geldt voor het weekend. Maar het was mooi weer en op de fiets was ik er ook op tijd. X bleek een onoverzichtelijk nieuw gebouw waar studenten kunnen sporten en deelnemen aan culturele activiteiten. Er dook plotseling een waarschijnlijk ooit verdrongen herinnering op: in een grijs verleden, toen dit nog het sportveld van de TU was, heb ik daar een Coopertest afgelegd. Wat duurden die twaalf minuten lang! Volgens mij heb ik ze ook niet volgemaakt, nou ja, wandelend.

Zondagmiddag was er weer een repetitie, met aansluitend de generale, waaraan ook de drie solisten meededen. Van zeven tot acht hebben we deze OperaMis gezongen voor publiek, dat niet bepaald in groten getale was komen luisteren. Misschien had dat ook te maken met de locatie, waarvoor het vaak fout gespelde ‘verassend’ eindelijk eens toepasselijk zou zijn, namelijk de aula van het crematorium De Iepenhof. Op de plaats waar anders de kist staat was nu voor het koor een tribune opgesteld. We zaten heel dicht naast elkaar, wat na corona toch wel extra benauwd was.

Toch heb ik bij het concert lekker gezongen. Ik heb meteen zin om het Requiem van Verdi weer eens te zingen, want dat kwam er qua koordelen wat bekaaid vanaf.

Simsalabim

In het rijtje bekende toverspreuken mag ‘simsalabim’ natuurlijk niet ontbreken. De kreet simsalabim is overgenomen uit het Duits en blijkt een verbastering van de Latijnse zin similia similibus curentur, wat ‘laat gelijken door gelijken geheeld worden’ betekent. Dit las ik in Wikipedia en in de etymologiebank, en tot mijn verbazing was de datering van simsalabim ‘na 1950’. Als toverspreuk is het dus betrekkelijk recent.

Lees verder

Proportiecanon

Bij de zomermuziekweek ‘Muziek zit tussen je oren’ werd de proportiecanon genoemd als illustratie van de traditionele opvatting dat muziek een kwestie is van getalsmatige verhoudingen, ‘proporties’. Alle stemmen in zo’n canon hebben dezelfde melodie, maar die worden gezongen in een andere toonverhouding. Waar de ene stem een kwart noot moet zingen, heeft de andere een halve noot, bijvoorbeeld. Met deze techniek kun je de verschillende partijen van de canon uit één vastgelegde stem afleiden.

Lees verder

Jingoïsme

Op mijn lijstje met nog op te zoeken woorden stond ‘jingoïsme’. Ik was dat in 2018 tegengekomen in een bespreking in de NRC van een aantal boeken over de Vietnamoorlog. Het leek het me hoog tijd om er daadwerkelijk mee aan de slag te gaan toen ik het woord onlangs weer tegenkwam, deze keer in een column waarin de NRC Ombudsman ingaat op de verslaggeving over de oorlog in Afghanistan in de afgelopen twintig jaar: ‘Van jingoïsme over een ‘exotische’ oorlog was nooit sprake.’

Lees verder