Op zoek naar ideeën om het componeren van ‘stukjes’ te oefenen, kwam ik terecht bij ‘toverspreuken’. Op mijn lijstje stonden al snel formules als abracadabra, abelebombelebé, simsalabim en hocus pokus pilatus pas. Als eerste heb ik me nu verdiept in de achtergrond van abracadabra.
De letter C heeft zoals veel losse letters uiteenlopende betekenissen. Dat zijn zoals gebruikelijk allerlei min of meer bekende grootheden en constanten uit natuur-, schei- en wiskunde, en ook weet iedereen wel dat de hoofdletter C het Romeinse cijfer honderd is, en de verwante kleine letter c de afkorting van ‘centi’ voor een honderdste. In de muziek is C een toon uit de toonladder, degene die vaak als ‘do’ wordt bestempeld.
Dit woord kwam ik zomaar tegen toen ik iets opzocht in Van Dale: boekelscheuren. Dat blijken spleetvormige holten in Edammer en Goudse kaas te zijn. Je zou denken dat boekel naar die vorm verwijst, maar dat is niet zo. Het woord is vernoemd naar ‘de werkwijze volgens Boekel’, wat een procedé is om kaas te bereiden.
Voor mijn stukje over wede als plantaardige basis voor blauwe verfstof, kwam ik onderweg het woord ‘smalt’ tegen: een goedkoop, blauw, anorganisch pigment dat gaandeweg grijzer wordt als het in schilderijen wordt gebruikt. Het werd dan ook voornamelijk gebruikt voor glas en keramiek.
Afgelopen week heb ik naar het seizoen 2020 van The Great British Bake Off zitten kijken, wat mijn enthousiasme heeft aangewakkerd om zelf ook weer aan de slag te gaan. Dat wil ik nu eens systematisch en planmatig aanpakken, met als eerste stap om uitgaand van de basisverhoudingen voor zandkoekjesdeeg, meel(4), boter(3) en suiker(2), na te gaan welk effect verschuivingen in die verhoudingen hebben en wat eventueel gedeeltelijk als vervanging voor die ingrediënten kan dienen.
Laatst bleek een woord een heel andere betekenis te hebben dan ik dacht, zo’n gewoon woord waar je nooit bij stilstaat. Je weet immers wat het betekent en er is dus geen enkele reden om het op te zoeken. Dat woord, ‘griotten’, stond in De Groene in een bespreking van een cd van Anansy Cissé, een zanger uit Mali. Maar griotten, dat zijn toch die gevaarlijk lekkere zachte dropjes met suiker, waarvan je ervan blijft eten tot ze op zijn, en jijzelf straalmisselijk bent, wat ze overigens gemeen hebben met Engelse drop?
Van Dale geeft meer dan twintig verschillende betekenissen van e of E aan en Wikipedia geeft de keuze uit meer dan dertig doorverwijzingen. Zoals de meeste letters wordt ook e of E binnen de natuurwetenschappen voor uiteenlopende grootheden gebruikt als symbool of afkorting, bijvoorbeeld voor energie in de beroemde formule E=mc2 die het verband tussen massa en energie aangeeft.
In een artikel* over botanische kleurstoffen voor blauwe verf las ik: ‘Sinds mensenheugenis won men blauw uit de wedeplant. In de lakenindustrie verfde men er wol mee.’ Ik kende die plant niet en ging op zoek naar meer informatie, zuiver uit nieuwsgierigheid, want bij het schilderen gebruik ik kant-en-klare verf uit de tube, waarin de kleurstof ongetwijfeld synthetisch geproduceerd is.
Tot de zestiende en zeventiende eeuw werd de wedeplant als bron van blauw gebruikt, maar daarna werd hij overvleugeld door indigo, dat meer kleurstof bevatte en goedkoper was, en dankzij de aanvoer via WIC en VOC ruimschoots voorhanden. Het resultaat is een vrij lichte kleur blauw.
De beschrijving van de plant In Wikipedia meldt veel wetenswaardigs over de winning van wedeblauw. ‘De wedeplanten werden geoogst vlak voor de bloei, in stukken gesneden en vervolgens aan een rottingsproces onderworpen. Het resultaat was een kleiachtige pasta, de pastel. Van deze massa werden balletjes gedraaid, de kokanjes, die gedroogd werden en verhandeld.’ Dat waren ballen ter grootte van een tennisbal, volgens de beschrijving op EcoBlog, een blog over biologische fairtrade-kleding, met veel historische bijzonderheden over plantaardige verfstoffen. Slechts drie planten werden vroeger geschikt geacht om er kostbare stoffen mee te verven: wede (voor blauw), meekrap (rood) en wouw (geel).
In 1752 publiceerde Daniel Gottlieb Schreber een boek van meer dan 300 bladzijden over wede, een Historische, physische und öconomische Beschreibung des Waidtes dessen Baues, Bereiting und Gebrauchs zu Färben, auch Handels mit selbigen überhaupt, besonderes aber in Thüringen. Dat is pas een titel die de lading dekt! Een facsimile van dit boek staat op internet, maar die letters lezen erg moeizaam en zo ver reikte mijn interesse nou ook weer niet. Het plaatje van een wedemolen in Thüringen is echter mooi.
De plant is in Nederland tegenwoordig zeer zeldzaam, zeker nadat in de negentiende eeuw de kwekerijen waren verdwenen. De wede is een waardplant van het oranjetipje en het groot koolwitje. Gelukkig hebben die vlinders ook andere kruisbloemigen als waardplant, zoals de pinksterbloem en look zonder look, dus hebben we nog steeds kans om die ooit tegen te komen.
* in Papyrus, het blad van de Vereniging Vrienden van de Delftse Botanische Tuin (2021/voorjaar; p.10)
‘Geen neerslag verwacht,’ meldde de buienradar vorige week, maar toen ik naar buiten keek stortregende het en was er een flink onweer aan de gang. Goed, formeel klopte die melding: de neerslag werd niet verwacht, maar was er al. Nu is de buienradar wel vaker wispelturig. Een kwartiertje na zo’n ‘geen neerslag verwacht’ zie ik toch vaak plotseling grijze heuveltjes verschijnen op de grafiek, als een bergetappe in de Tour de France.
Ik lees de weerberichten in de krant altijd met plezier en bewondering, hoewel, voorspellingen? Ik heb de avondkrant van de NRC en daar staat hetzelfde in als in de ochtendkrant. Dus de voorspelling betreft grotendeels de inmiddels voorbije dag, al werd ze vroeger gedaan. De vage formuleringen zorgen ervoor dat het meestal klopt. Dat hebben weersvoorspellingen gemeen met krantenhoroscopen, exemplarische voorbeelden van nietszeggendheid waar je je geen buil aan kunt vallen.
’Perioden met zon.’ ‘Voor zondag is er ruimte voor wat zon en kan het meestal droog zijn.’ ‘Het kan overwegend droog blijven, met mogelijk mist in de nacht of vroege ochtend.’ Ja, dat kan allemaal. Wat voor weer het ook wordt of is geworden, zo’n voorspelling komt altijd uit, dankzij woorden als ‘kan’, ‘mogelijk’ en ‘meestal’, of standaardkreten als ‘overwegend droog, ‘op de meeste plaatsen’, ‘verspreid enkele buien’. Ook ‘waarschijnlijk’ is goed te gebruiken: ‘Waarschijnlijk schampt vrijdag een volgende neerslagzone de westkust.’ En als die zone dat toevallig niet doet, dan blijft het droog. ‘Wisselvallig’ is ook zo’n handig woord, en natuurlijk het aloude ‘hier en daar een bui’. Ik kan echt genieten van pareltjes als: ‘Verspreid valt een aantal buien, maar tussendoor is er soms ook een gaatje voor de zon.’ En: ‘Als de mist niet optrekt, wordt het boven nul.’ Kort samengevat: ’t kan vriezen en ’t kan dooien.
Het weer en de voorspellingen ervan zijn een dankbaar gespreksonderwerp in sommige sociale situaties. Eigenlijk heb je elkaar niets wezenlijks te vertellen, maar stommetje spelen is ook wat ongemakkelijk. Steevast sloot mijn oude buuf dergelijke weergesprekjes af met: ‘Het is maar goed dat we er niets over te zeggen hebben. Er is nu al oorlog genoeg.’
Een term waarvan ik de spelling steeds opnieuw moet opzoeken is ‘a cap(p)ella’. De betekenis is geen probleem: zingen zonder instrumentale begeleiding. Maar schrijf je het nou met één of met twee p’s’? Beide vormen kom ik regelmatig tegen. Volgens Wikipedia en Van Dale is het met één p, maar in het Italiaans, Frans, Duits en Engels zijn het er twee. Hoe komt dat?