Literaire vertaaldagen 2022

Ik ben dan wel pensionada, maar dat wil niet zeggen dat mijn hele werkzame leven voorbij is. Het vertalen van boeken staat weliswaar op een laag pitje, maar het leek me toch leuk om na een aantal jaren weer eens naar de Literaire Vertaaldagen te gaan en collega-vertalers te ontmoeten.

Op vrijdag 1 juli was er een symposium in De Rode Hoed, met bijdragen over het thema ’Vertalen is een leven lang leren’. Zo vertelde de vertaler Nederlands-Duits Gerd Brusse dat hij een Nederland- en België-deskundige was geworden dankzij het vertalen van Het Bureau van Voskuil. Dat kon ik me goed voorstellen. In een andere bijdrage kaartte Nico Groen aan hoe belangrijk het is dat je je bewust wordt van je blinde vlekken: de ‘unknown unknowns’. Dingen die je niet weet kun je opzoeken of navragen, maar als je niet weet dat je iets niet weet, kun je er soms faliekant naast zitten.

In de wandelgang was er aandacht voor de actie ‘Vertaler op het omslag’. Om vertalers wat zichtbaarder te maken wordt gepleit voor vermelding van onze naam op het boekomslag. Ik heb een paar affiches meegenomen voor de boekhandels in Delft. Die blijken weinig mogelijkheden te hebben om ze op te hangen, maar de medewerkers vonden het wel een goede actie. In de bibliotheek kon ik er gelukkig wel een kwijt. Op de website www.vertalersophetomslag.nl kun je er meer over lezen en de petitie tekenen.

Op de zaterdag erna werden er in het Amsterdams Lyceum vertaalworkshops gegeven. Het is een vreemd gevoel om door een school te lopen en weer in de schoolbanken te zitten. Ik had me ingeschreven voor de workshop van Nico Groen  ‘(Niet) weten wat je (niet) weet: non-fictie vertalen’. Daar kwamen onder meer voornoemde unknown unknowns ter sprake, aan de hand van enkele vertaalopdrachten die wij als deelnemers thuis hadden gemaakt. Ik had me erop verheugd mogelijke vertaalstrategieën en valkuilen te bespreken. Die valkuilen waren er inderdaad, bleek bij de bespreking van het huiswerk. En ik was er ook regelmatig ingetuimeld.

Maar nu weet ik in ieder geval dat je niet voetstoots moet aannemen wat Van Dale of Wikipedia zeggen, en dat je bij het vertalen van de namen van planten en dieren extra alert moet zijn bij een bijvoeglijk naamwoord. Zo had ik in het huiswerk ‘little owls’ onbekommerd vertaald met ‘kleine uiltjes’, terwijl dat ‘steenuilen’ moesten zijn. Onder de lezers blijkt altijd wel een betweter te zitten die je fijntjes op dergelijke foutjes wijst.

Een seagull mag je eigenlijk niet met zeemeeuw vertalen, maar is gewoon een meeuw en een eagle is niet gewoon een adelaar, maar een arend. De term adelaar wordt voornamelijk in de heraldiek gebruikt en prijkt, wie weet, ooit als naam op het omslag van een van mijn vertalingen.

Losse briefjes

Omdat ik per ongeluk een kop thee over de losse papiertjes op mijn bureau had gegooid werd het tijd om weer eens aan een opruimactie te beginnen. Eens in de zoveel weken probeer ik orde te scheppen in alle losse briefjes en geeltjes die zich op mijn eettafel en bureau hebben opgehoopt, voorzien van snel genoteerde aantekeningen.

Het opruimen houdt in dat ik suggesties indeel en bij elkaar in een overzicht zet. (Te lezen boeken! Te beluisteren cd’s! Niet te missen websites, tv-series of YouTube-filmpjes! Te bezoeken tentoonstellingen! Uit te proberen recepten! Ideeën voor een blog-stukje!) Die overzichten gaan ook regelmatig zelf op de schop.

Naast die (alsmaar uitdijende) overzichten heb ik ook een ‘bewaarschrift’. Daarin zet ik onder meer citaten die ik op zo’n los briefje had geschreven omdat ze iets (pseudo-)diepzinnigs leken te verkondigen, of omdat ik ze poëtisch, raadselachtig of grappig vond. Dat doe ik natuurlijk alleen als ze me bij het opruimen ook nog aanspreken. Ik plak in dat schrift bijvoorbeeld ook schetsjes uit de losse pols die ik (ooit) uit wil werken, gedichten die ik mooi vind, of handige plaatjes met nuttige gebruiksaanwijzingen.

Onlangs vond ik een notitieboekje terug met ‘ideeën en citaten’, waaruit bleek dat ik zulke al lezende bijeengesprokkelde zinnen zo’n twintig jaar geleden ook al verzamelde, al heb ik ze toen helaas niet altijd van een bronvermelding voorzien. Hier zijn enkele voorbeelden.

Liever dan over ‘mislukkingen’ te praten hebben mensen het over ‘leermomenten’.
[In NRC 2 mei 2022, p.9, naar aanleiding van een prijs voor mislukkingen; fraai staaltje newspeak]

Fouten zijn wegwijzers naar verbetering.
[Daniel Coyle, Ontwikkel je talenten, 2016; niet bij de pakken neer gaan zitten dus]

Haar nieuwe werk kenmerkt zich door de aanwezigheid van het vierkant.
[In Postiljon, 6 december 2001, over een kunstenares; veel van mijn werk is ook vierkant, maar sinds kort ben ik helemaal in de ban van de cirkel]

Jij verschijnt niet in de wereld, maar de wereld verschijnt in jou.
[NRC 10 februari 2020 C5; over spirituele zoektochten die in feite allemaal naar hetzelfde wijzen: diepzinnig of zweef?]

Een groot aantal losse briefjes kan overigens meteen bij het oud papier.

Fomalhaut

In april 2020 stond in de NRC een artikel over een lichtvlekje dat door astronomen was waargenomen. Aanvankelijk had men gedacht dat het vlekje een exoplaneet was van de ster Fomalhaut, maar in 2020 bleek het een wolk van stof en puin stof te zijn, het restant van twee op elkaar gebotste planetoïden. Een ster die Fomalhaut heet? Ik had er nog nooit van gehoord en vond het maar een rare naam, die naar mijn idee thuishoort in een ouderwetse SF-roman.

Fomalhaut blijkt echter daadwerkelijk te bestaan en is maar liefst een driedubbelster op 25 lichtjaar afstand van de zon. Hij is twee keer zo groot als de zon, heeft twee keer zoveel massa en is zeventien keer helderder. De hoofdster is Fomalhaut A, en daarnaast heb je een oranje ster Fomalhaut B  en een  rode dwergster Fomalhaut C. Fomalhaut A is de helderste ster in het sterrenbeeld Zuidervis, dat in Nederland niet goed te zien is.

De officiële naam van Fomalhaut is Alpha Piscis Austrinus, oftewel de ‘alfaster in de Zuidervis’. De naam Fomalhaut komt van het Arabische ‘Fum al Hut’, de ‘mond van de vis’. Een andere Arabische naam voor de ster is Rana Prima , ‘de eerste kikker’.

Hoe zit dat eigenlijk met de naamgeving van sterren? Op Nemo-kennislink staat hierover een informatief artikel. Al zeker sinds de Renaissance worden er pogingen gedaan om de naamgeving te systematiseren. Voor allerlei sterren zijn er meerdere namen in omloop, wat niet zo handig is, en bovendien zijn er nog allerlei spellingsvarianten, voor Fomalhaut alleen al meer dan dertig. Overigens hebben nog lang niet alle sterren een naam.

De naamgeving wordt gecoördineerd door de Internationale Astronomische Unie. In een publiekswedstrijd ter gelegenheid van hun honderdjarig bestaan in 2019 mocht het publiek uit meer dan honderd landen namen voorstellen voor een ster met een exoplaneet. Nederland had gekozen voor Nijntje als planeet en Moederpluis voor de ster, maar dat kon niet vanwege copyright. Toen werd het Sterrennacht voor de ster en Nachtwacht voor de planeet.

Salmay-Dalmay-Adonay

Op zoek naar toverspreuken om in een compositie te verwerken kwam ik ook terecht bij Catweazle, een nostalgische tv-herinnering van me. Zijn favoriete spreuk is ‘Salmay-Dalmay-Adonay’, een spreuk die meestal anders uitpakt dan zijn bedoeling was.

De kinderserie Catweazle dateert van zo’n jaar of vijftig geleden. Het gaat over een tovenaar die uit de elfde eeuw per ongeluk in de twintigste eeuw is beland. Met de spreuk Salmay-Dalmay-Adonay hoopt hij te kunnen vliegen. Dat probeert hij in de eerste aflevering (na ongeveer drieënhalve minuut). Het mislukt. Na een minuut of zes probeert hij het, met de moed der wanhoop, toch nog een keer. Hij wil vliegend over een rivier zien te ontkomen aan de achtervolging door vijandelijke soldaten, maar gaat kopje onder. Hij duikt weer op in een klein vijvertje in een weiland in de twintigste eeuw.

Ik weet nog dat ik er toentertijd vreselijk om heb moeten lachen, vooral om de term elektrickery (‘elek-truuk-kiteit’) voor een vorm van hedendaagse magie waarvan de tovenaar danig onder de indruk is. Op YouTube staat een Nederlands ondertiteld filmpje met ‘hoogtepunten’.

Er bestaat een uitgebreide Engelstalige website van de Catweazle-fanclub, met onder meer een uitleg van de magie en mythologische termen en verwijzingen in de serie. Daar wordt ‘Salmay, Dalmay, Adonay’ de bekendste spreuk van Catweazle genoemd, met de toelichting dat het woord Adonay afkomstig is uit het Hebreeuws en ‘Mijn Heer’ betekent, maar dat van de andere termen geen betekenis bekend is.

De fansite noemt als een andere favoriete magische formule van Catweazle de woorden ‘Sator arepo tenet opera rotas’, een zin die je van links naar rechts en van rechts naar links kunt lezen: een palindroom. Als je deze vijf woorden onder elkaar zet, vormen ze het magische satorvierkant. Dan kun je de woorden van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar beneden, en van beneden naar boven lezen. Dit oude magische vierkant staat bijvoorbeeld op beschermende magische amuletten en werd onder meer gevonden in de ruïnes van Pompeji, en komt dus ook voor in deze televisieserie.

Bij de toverspreuk Salmay-Dalmay-Adonay heb ik in navolging van de andere toverspreuken een compositie gemaakt.

MP3

Korstmossen

Onlangs las ik een artikel over korstmossen en toen drong het tot me door dat ik iets misschien altijd helemaal verkeerd had gezien. Volgens dat artikel, in de voorjaarsaflevering van Papyrus, het blad van de Vrienden van de Botanische Tuin (die tegenwoordig Hortus Delft heet), reikte de kennis van de meeste mensen over korstmos niet verder dan dat het vieze vlekjes op de muur of tegels zijn. Erger nog, dacht ik toen: ik heb altijd gedacht dat die rare vlekken op stoeptegels restanten van platgetrapte kauwgom waren, of uitgebeten vogelpoep.

Een aantal jaren geleden had ik daar een paar foto’s van gemaakt, omdat ik ze er interessant uit vond zien. Ze pasten mooi in mijn serie ‘stoeptegels met vlekken’, waarvan ik naderhand ook enkele schilderijen heb gemaakt. Na het lezen van het artikel ben ik deze foto’s weer eens opnieuw gaan bekijken, met ‘de kennis van nu’. Soms gaat het inderdaad om platgetrapte kauwgomrestanten, maar de vaak grijsgroene vlekken op andere zouden best wel eens een korstmos kunnen zijn geweest.

Dankzij dat artikel weet ik nu ook dat korstmossen helemaal  geen mos zijn, maar het product van de samenwerking tussen een alg en een schimmel, en dat ze vaak leven op dakpannen, stoeptegels, boomschors en muren. In Nederland zijn er meer dan achthonderd verschillende bekend en de schrijver van het artikel, Harold Timans, had er na een dag zoeken in de Botanische Tuin al een stuk of tachtig gevonden.

In Wikipedia staat een zeer uitvoerige beschrijving van allerlei soorten korstmossen. Als ik het goed begrijp zijn de vlekken op de stoeptegels ‘endolitische korstvormige korstmossen’. Endolitisch betekent ‘in steen groeiend’.

Als ik nu onderweg weer zo’n toch wat viezig aandoende stoeptegel tegenkom, kijk ik er toch wel met andere ogen naar, en soms haal ik de camera (mijn smartphone dus) weer tevoorschijn. De vlekken blijven intrigerend en onder een vergrootglas komen ze nog mooier tot hun recht, zoals de beelden van natuurfotografie op internet laten zien.

Meerkoet of waterhoen?

Elk jaar zie ik die vogels in het voorjaar op hun nest zitten en vaak maak ik er meteen een foto van, want het is zo’n schattig gezicht. Als ik een paar weken later de kuikentjes met hun rode koppies achter vader en moeder aan zie zwemmen, schril piepend zodra ze wat zijn afgedwaald, denk ik: zijn het nou meerkoeten of waterhoentjes?

Ik neem me dan telkens voor dat thuis op te zoeken en voortaan te onthouden. Dat opzoeken heb ik nu eindelijk ook daadwerkelijk gedaan, met de foto’s als geheugensteun. Of ik het nu ook zal onthouden moet nog blijken. Zowel waterhoenen als meerkoeten zijn in Nederland en België zeer algemeen, en ze staan dan ook allebei in Wikipedia. Beide behoren tot de familie van de rallen en de beschrijving daarvan noemt als het kenmerkende onderscheid de voorhoofdsplaat. Die is rood bij het waterhoen en wit bij de meerkoet, bij volwassen exemplaren tenminste.

Verder hebben meerkoeten zwemvliespoten – ‘grote blauwgroene poten met gespreide zwemlobben’ – en waterhoentjes niet. Op deze plaatjes zie ik eigenlijk geen zwemvliezen van de meerkoet, maar ze verschillen duidelijk van elkaar. In het echt zie ik die poten nauwelijks, want meestal liggen de vogels op hun nest of zwemmen ze in het water.

Hun kop is echter goed te zien, dus weet ik nu dat de vogels die ik elk voorjaar zie meerkoeten zijn. Kennelijk heb ik nog nooit waterhoentjes in het echt gezien, want daarvan staan er geen foto’s in mijn map.

Dat kan ook wel kloppen, want volgens de website ‘dieren en planten’, die uitgebreide informatie bevat over alle mogelijke dieren en planten, dus ook over meerkoeten en waterhoentjes, is het waterhoen een schuwe vogel, ‘die zich vooral ophoudt in dichte oevervegetaties’. Meerkoeten bouwen daarentegen hun nest (‘van riet en waterplanten, maar ook van drijvend afval zoals stukken papier of plastic’) aan de waterkant, en ze zijn behalve op grote wateren, plassen en meren, ook te vinden in parken, grachten en sloten, inderdaad de plaatsen waar ik ze tegenkom. Alle vogels op mijn foto’s hebben een witte voorhoofdsplaat. De map heb ik daarom maar hernoemd, van ‘meerkoeten en waterhoentjes’ tot ‘meerkoeten’.

In twaalf dagen een verhaal

In Taalpost, de nieuwsbrief van Onze Taal, stond een link naar een ‘Write-Along op bestelling’. Dat intrigeerde me en ik klikte hem aan. Je bleek je daarvoor te kunnen aanmelden en kreeg dan twaalf dagen lang elke dag een schrijfopdracht van Prompt! Schrijven. Na afloop zou je, als je alle opdrachten had uitgevoerd, een compleet verhaal hebben geschreven. Dat leek me wel wat, dus gaf ik me hiervoor op.

De eerste dag begon met de beschrijving van een situatie waarin iets misgaat en vervolgens ontwikkelt het verhaal zich met elke nieuwe opdracht. Daardoor moest ik mijn verhaal elke dag een nieuwe draai geven, want die opdracht sloot natuurlijk niet aan bij wat ik de vorige keer in gedachten had. Zo bleef het ook voor mij telkens een verrassing hoe het verder zou gaan.

Je dagelijkse resultaat publiceer je op een besloten platform waar je ook op elkaars bijdragen kunt reageren. Ik moest even uitzoeken hoe het precies werkte, maar uiteindelijk lukte het om mijn tekst erin te krijgen en hier en daar wat hartjes en duimpjes uit te delen.

De scène waarmee ik begon was:

Uit de nieuwe pot acrylverf had ik een flinke klodder wit op het palet van de als altijd ongeduldige mevrouw W gekwakt. Gehaast liep ik terug om de volgende kleur te pakken, zodat ze aan de slag kon gaan. Helaas zat het deksel er niet goed op. Met een blik en een paletmes lukte het om meer dan de helft van de verf van de vloer te schrapen, maar mijn spijkerbroek was nu definitief tot verfbroek gepromoveerd.

Ik was op dat idee gekomen door een opdracht op de schildercursus om een schilderij te maken met het thema ‘vlek’, waarvoor ik vlekken op mijn schilderbroek had gebruikt.

Wie benieuwd is hoe het verhaal zich verder heeft ontwikkeld, kan hier het uiteindelijke resultaat downloaden.


Ik vond dit ‘gestuurd’ schrijven zo leuk om te doen dat ik me inmiddels op Prompt! heb geabonneerd. Nu krijg ik elke week een schrijfopdracht. Die zal lang niet altijd uitmonden in een verhaal, maar geeft vast af en toe ook weer een aanzet tot een blogstukje.

En wie het zelf ook eens wil proberen: deelname aan de  ‘Write-Along op bestelling’ is gratis.

Flessenhuls

Meestal gaat het probleemloos. Maar nu had ik een fles olijfolie met een ‘lamme huls’. De schroefdop bleef vastzitten aan het hulsje eronder, dus kon ik de fles niet open krijgen. Na enkele vruchteloze pogingen, eerst met mijn blote handen, later met behulp van meer of minder ruwe doeken, was mijn eerste impuls om het maar op te geven.

Ik overwoog de mogelijke acties: mijn verlies nemen en de fles met olie en al in de glasbak dumpen, naar de winkel teruggaan en vragen of ik hem kon ruilen, of het toch nog maar eens proberen, met zwaardere hulpmiddelen. Vanuit de recalcitrante, maar niet erg doelmatige gedachte dat ik me niet wilde laten kisten door zo’n stomme sluiting besloot ik tot het laatste.

Dus zocht ik wat gereedschap bij elkaar waarmee ik aan de heldhaftige aanval kon beginnen. Het was een kwestie van doorzetten en niet te snel opgeven, hield ik mezelf voor, maar ik moest ook voorzichtig zijn met al dat scherpe gereedschap. Met het mes wist ik een beginnetje te krijgen, dat ik vervolgens na enig wrikken verder los kon scheuren. Zo lukte het met geduldige volharding om de schroefdop te scheiden van de huls eronder.

Toch ben ik er niet helemaal zonder kleerscheuren vanaf gekomen. Dankzij mijn zorgvuldige aanpak had ik voorkomen dat ik me aan het mes sneed of dat de tang van de flessenhals schampte met onbekende, maar ongetwijfeld desastreuze gevolgen. Ook was de fles niet uit mijn handen geglipt, wat een gigantische schoonmaakklus zou hebben opgeleverd, maar met de restanten van de verwijderde huls zelf had ik geen rekening gehouden. Toen ik die weggooide heb ik me aan de vlijmscherpe rand daarvan alsnog gewond, niet ernstig, maar toch!

Nadat ik de hulpmiddelen weer had opgeborgen en de fles in de kast had gezet, had ik toch een voldaan gevoel: dat heb ik toch maar mooi zelf voor elkaar gekregen.

Oosterwijck en Oostenrijk

Vrijwel dagelijks kom ik op mijn vaste route naar de supermarkt voor boodschappen of naar het verpleeghuis voor mijn vrijwilligerswerk langs een aantal zijstraten waar ik doorgaans nauwelijks aandacht aan schenk. Een daarvan bekeek ik onlangs echter wat beter, omdat ik in een recensie van de tentoonstelling In volle bloei in het Mauritshuis (tot en met 6 juni 2022) de naam Maria van Oosterwijck was tegengekomen.

Van die straat had ik namelijk altijd gedacht (als ik er al aan dacht) dat die vernoemd was naar Maria van Oostenrijk, in de vage veronderstelling dat zij wel een landvoogdes of zo zou zijn geweest. Nu keek ik nog eens beter en, ja, het bleek de Maria van Oosterwijckstraat te zijn, met de toelichting ‘Nootdorpse schilderes’. Eigenlijk was dat ergens ook wel logisch, want alle straten in die wijk zijn naar schilders genoemd. Zo is deze betrekkelijk nieuwe Maria van Oosterwijckstraat een zijstraat van de Willem van Aelststraat, een schilder die een van haar leermeesters is geweest.

De schilderes Maria van Oosterwijck (1630-1693) was gespecialiseerd in bloemstillevens en ze was in haar tijd erg populair bij Europese vorstenhuizen en andere edelen, wat haar goed betaalde opdrachten opleverde. Dat ze zoveel succes had was in die tijd voor een vrouw uitzonderlijk, ook omdat ze geen lid van een gilde kon worden. De website ‘Maria van Oosterwijck – Vermaert Konstschilderesse’ bevat een biografie en een uitgebreide beschrijving van haar werk.

[Maria van Oosterwijck, Bloemen in een ivoren bokaal, c.1670-1675, Mauritshuis; Wallerant Vaillant, Portret van Maria van Oosterwijck, 1671. Rijksmuseum Amsterdam]

Maar er blijkt inderdaad ook een Maria van Oostenrijk te bestaan; er zijn zelfs meer Maria’s met die titel, van wie de meeste er ter onderscheid een tweede voornaam bij hebben, met Maria Theresia van Oostenrijk als bekendste (en daar zijn er ook minstens twee van). Zonder extra voornaam heeft Wikipedia een lemma voor Maria van Habsburg (1531-1581) en voor Maria van Hongarije (1505-1558). Deze laatste werd in 1531 door haar broer Karel V aangesteld als opvolgster van haar tante, de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk, als zijn plaatsvervanger in de Nederlanden. Dat zal dus wel degene zijn die ik vaag in gedachten had als ik langs die zijstraat liep.

Havenplaatje

Wie wat bewaart die heeft wat, en dat komt me regelmatig van pas. Bij het opruimen kom ik dan iets tegen dat me opnieuw weet te boeien en me ertoe aanzet er weer mee aan de slag te gaan. Zo was ik ooit eens begonnen aan een borduurwerkje van een haventafereeltje. Van een gestileerde weergave die ik van een foto had gemaakt, wilde ik met zwarte borduurzijde een verfijnd schilderijtje maken. Dat duurde me uiteindelijk veel te lang. Het werkje verdween dan ook al snel ergens in een kast.

Enkele jaren geleden dook het weer op bij een opruimactie, samen met de tekening op doorslagpapier, maar zonder de foto. Het plaatje sprak me nog steeds aan en ik gebruikte die tekening voor een aantal experimenten met vlakvullingen en verschillende materialen. Tussendoor maakte ik toen toch ook het borduurwerkje maar af, in een sterk vereenvoudigde vorm, al kostte dat nog steeds veel meer tijd dan mijn experimenten.

Op een goed moment vond ik dat ik dit onderwerp wel voldoende had uitgediept. De resultaten en het gebruikte materiaal had ik netjes in een map gestopt, tevreden dat ik weer eens een project had afgerond.

Maar er kwam toch nog een vervolg. Bij het uitzoeken van een krat met plaatjesboeken deed ik een verrassende ontdekking. In het plaatjesboek Beautiful Britain van John Burke, uit 1976, vond ik zowaar de oorspronkelijke referentiefoto terug. Het blijkt een afbeelding te zijn van een aantal huisjes aan de haven in het plaatsje Lynmouth in Devon, in het Zuidoosten van Engeland.

De voorgrond verschilt een beetje van wat ik op de tekening had weergegeven. Daarop had ik een aantal dingen aangepast, maar de huizenrij is duidelijk herkenbaar. Die blijkt nog steeds te bestaan zag ik op recentere foto’s die ik op internet vond, maar hierop is het laag water en de hoek is anders.

Misschien is dit blogstukje de definitieve afronding van dit project, dat ooit met een mislukt borduurwerkje is begonnen. Maar misschien ook niet.