Stillevens

Door een samenloop van omstandigheden kwam ik het onderwerp ‘stillevens’ de afgelopen weken een paar keer tegen, eerst als onderwerp bij de schildercursus en daarna als schrijfopdracht van de Prompt!-nieuwsbrief.

Voor de schildercursus werd gevraagd om een klein stilleven van enkele objecten te maken en dat vervolgens op een paneeltje van 12×16 centimeter weer te geven. Een leuke opdracht, vond ik. Uit mijn overvolle bewaarbakken haalde ik ‘kleine dingetjes’ te voorschijn, variërend van kleine kerstversieringen tot paasboomeieren, van minispeelgoedpoppetjes tot allerlei bruikbaar afval. Daarvan legde ik er drie tot vijf op een ondergrond van oude verknipte werkjes en van deze ‘ministillevens’ maakte ik een foto.

Mijn bedoeling was om er een of twee uit te kiezen die me geschikt leken om op een paneeltje te schilderen. Eenmaal begonnen was er geen houden meer aan: binnen de kortste keren had ik er al zestien af. Voor het (eerste) ‘echte’ paneeltje heb ik er een paar gecombineerd.

De schrijfopdracht hield in dat we een stilleven van een paar objecten zo moesten beschrijven dat er een bepaalde sfeer werd opgeroepen door de objecten menselijke eigenschappen te geven. Tot dusverre heb ik af en toe wel eens een stilleven geschilderd, met als ‘hoogtepunt’ een schilderij uit 2008, waarbij ik wat had gespeeld met de relatieve afmetingen van de objecten: de koning uit het schaakspel, een borstbeeld van Verdi, een knikhond, een vogelbeeldje en een roos. Verdi, de hond en de vogel staan samen met dat schilderij nog steeds in mijn huiskamer.

Voor deze opdracht  heb ik dit schilderij als uitgangspunt gebruikt, met de volgende tekst als resultaat:

Achter het klassieke borstbeeld van Verdi doemt de witte koning uit het schaakspel op, een stabiele rots in de branding. De componist is onzeker: ‘Hoe moet ik verder? Kan ik het nog wel?’ De vogel die achteloos voor het beeld zijn veren glad strijkt, zwijgt, maar lijkt met zijn schuinse blik een antwoord te geven: ‘Als ik wil zingen, zing ik toch gewoon? Doe jij nu ook maar wat je wilt doen, en kijk er wat vrolijker bij.’ De hond knikt enthousiast en zou kwispelen als hij een staart had: ‘Bravo, bravo! Het publiek smult van je werk en strooit met rozen.’

Verschenen: Mukherjee – Het lied van de cel

Afgelopen week belde de postbode aan met een pakje. Ik had geen bestellingen lopen, dus ik was best nieuwsgierig. Het bleken drie presentexemplaren te zijn van Het lied van de cel, de vertaling van The Song of the Cell van Siddhartha Mukherjee, waaraan ik heb meegewerkt.

Het boek, uitgegeven door De Bezige Bij en met de ondertitel ‘Een onderzoek naar de geneeskunde en de nieuwe mens’, heeft zes delen: Ontdekking, De ene en de vele, Bloed, Kennis, Organen en Wedergeboorte. Ik heb het tweede deel vertaald, ‘De ene en de vele’. De andere twee vertalers, Pon Ruiter en René van Veen, hebben het leeuwendeel voor hun rekening genomen.

‘Mijn’ deel gaat over de inwendige anatomie van de cel, de reproductie van cellen, de bewerking van cellen en hoe cellen zich ontwikkelen tot een organisme. Mukherjee behandelt deze onderwerpen met veel aandacht voor de betrokken onderzoekers. Dat levert onderhoudende verhalen op, over onderwerpen als de ontwikkeling van ivf, de moeite om te verhinderen dat ‘thalidomide’, bij ons beter bekend als Softenon, op de Amerikaanse markt werd toegelaten als geneesmiddel, en het schandaal over de onverantwoorde bewerking van menselijke genen door He Jankui, die naderhand tot drie jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.

Het ‘technische’ gedeelte bevat wel wat jargon, maar veel ervan was ik op de middelbare school al tegengekomen bij de biologieles, dus dat was meer een opfriscursus. En regelmatig biedt ook het internet uitkomst. De meeste problemen had ik bij de illustraties. In de door Mukherjee zelf getekende plaatjes had hij de onderdelen handmatig ingeschreven, in een kriebelig handschrift. Uiteindelijk was ik daar wel uitgekomen en ik heb die teksten ook netjes aangeleverd, maar in de eerste drukproef was het een rommeltje geworden. Uiteindelijk heeft de uitgeverij die ingeschreven teksten in het boek onvertaald gelaten, zag ik.

Nu ik het echte boek in handen heb ga ik het eindelijk in zijn geheel lezen, als gewone consument bij wijze van spreken. Daar was ik toen ik ermee bezig was namelijk niet aan toe gekomen en bovendien lees ik nog altijd liever van papier dan van een scherm.

Octopus

Toen ik onlangs last had van vocht in mijn hals en schouder heeft de therapeute mijn hals ingetapet met ‘octopustape’. Deze buitenmodel pleister zou bijdragen aan het wegmasseren van het vocht. Het zag er indrukwekkend uit en heeft ook wel geholpen, maar wat me het meest opviel was de naam, octopus, want er zaten maar drie uitlopers aan. Een octopus is immers een inktvis met acht armen, en de naam is afgeleid uit het Griekse oktopous (met acht voeten).

Op Nederlandse sites vond ik de naam ‘octopustape’ voor die pleister niet terug. Daar heet het ‘curetape’, kinesiotape of flexitape. Wel zag ik dat er veel meer mogelijk is qua kleur. Op Engelstalige sites ontdekte ik dat het een merknaam is, voor een bepaalde vorm van fysiotherapie. De drie armen in mijn exemplaar had de therapeute er zelf ingeknipt.

Op internet bleef ik nog even hangen bij een paar interessante octopussen.

In 2010 was de Duitse Paul de Octopus enige tijd een internationale beroemdheid doordat hij tijdens het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika de uitslagen van wedstrijden goed voorspelde, met name die van het Duitse elftal, maar ook  de finale waarin Nederland van Spanje verloor. Toen Duitsland in de halve finale werd uitgeschakeld moesten Paul  en zijn aquarium extra beveiligd worden, want veel Duitsers reageerden hun woede af op de octopus. Een andere, iets ludiekere vorm waarin dat gebeurde was met een overmaat aan inktvisrecepten.

Verder blijkt er een inktvisjesproject voor couveusekindjes te bestaan. Baby’tjes worden rustig als ze zo’n octopus naast zich hebben. De door vrijwilligers gehaakte of gebreide octopusjes moeten aan strikte voorwaarden voldoen. In het vergelijkbare Belgische project gaan afgekeurde exemplaren naar lokale rusthuizen of dementie-afdelingen van een ziekenhuis, waar de mensen vaak ook gebaat zijn bij iets rustgevends. Ingrid Dam, een van mijn volgers, heeft er vroeger enkele honderden gehaakt, vertelde ze. Een aantal daarvan is te zien op onderstaande foto.

Als je haken of breien te ingewikkeld of te tijdrovend vindt, kun je voor bijvoorbeeld pakjesavond altijd nog een octopus maken op basis van een van de vele knutselideeën voor kinderen die op internet staan. Van lege wc-rollen, kartonnen wegwerpbordjes, plastic koffiebekers of gewoon een paar velletjes papier en wat verf maak je de mooiste exemplaren.

Najaarsconcert Cantarella

Op  vrijdag 25 november geven we met Cantarella een najaarsconcert, ‘Herfststemmen’, dat enigszins afwijkt van onze gebruikelijke concerten. De uitvoering is namelijk niet in Delft maar in Schiedam, in de Grote of St. Janskerk, en we zingen deze keer niet met orkest maar met orgelbegeleiding.

Het verbaasde me wel dat we niet in Delft optreden, maar dat schijnt te maken te hebben met het orgel en de plaats daarvan ten opzichte van koor en dirigent. De titel ‘Herfststemmen’ is ons niet nader uitgelegd, maar daar valt van alles bij te verzinnen natuurlijk. In ieder geval hebben we een aantrekkelijk programma met werken van Duitse en Franse componisten.

De hoofdmoot van het programma is het Requiem van Duruflé (opus 9, 1947). Daarnaast voeren we als koor enkele losse, kleinere werken uit:

Geistliches Lied – opus 30 van Johannes Brahms. Brahms schreef dit lied in 1856 toen hij en de violist/dirigent/componist Joseph Joachim compositieoefeningen uitwisselden en bekritiseerden. Van die oefeningen is dit het enige wat naderhand uitgegeven werd, in 1864, als opus 30.

Hear my prayer van Felix Mendelssohn. Mijn eerste gedachte hierbij was waarom zingen we dat in het Engels? De oorspronkelijke versie uit 1844 (WoO15) blijkt echter inderdaad een Engelse tekst te hebben. Mendelssohn schreef het in opdracht van William Bartholemew voor een uitvoering in de Londense concertzaal Crosby Hall. In 1847 heeft Mendelssohn zelf nog een versie met een Duitse tekst gemaakt (Hör’ mein Bitten).

Cantique de Jean Racine van Gabriel Fauré (opus 11, 1865). Dit is natuurlijk een echte klassieker, met een notering op nummer 15 van de klassieke Top 400. Fauré schreef het toen hij negentien was en hij won er een eerste prijs mee bij zijn afstuderen.

Het Requiem van Duruflé (nummer 212 in de Top400, ook niet slecht)  is minder bekend dan dat van Fauré, waarvan Duruflé de structuur en de contemplatieve sfeer heeft overgenomen. Het werk bevat veel gregoriaanse melodieën en is opgedragen aan de nagedachtenis van zijn vader.

Op het programma staan verder een paar nummers voor onze solisten, de sopraan Meneka Senn  en de bas Gulian van Nierop. Alle werken worden op het orgel begeleid door Arjen Leistra en het geheel staat onder leiding van onze dirigent Dennis Broeders. Informatie over de kaartverkoop staat op website van Cantarella.

Hopelijk laat het publiek zich er niet van weerhouden om de reis naar Schiedam te ondernemen, want het belooft een mooi concert te worden.

Malle Eppie

In september was ik tijdens mijn vakantie begonnen met het verwerken van restjes wol en acryl. Omdat ik inmiddels al drie dekens en een paar poncho’s bij elkaar had gebreid en gehaakt, wilde ik nu eens zonder vooropgezet plan aan de slag gaan. In mijn achterhoofd had ik wel een vaag beeld van maskers, totempalen of primitieve goden, want ik was toen ook bezig met het Arcimboldo-project  voor de schildercursus.

Gaandeweg ontstond er zo al breiend, hakend en appliquerend  een soort kopvoeter met krullen en grote oren. Ik kreeg de smaak te pakken en eenmaal thuis ben ik ermee doorgegaan. Tijdens het tv-kijken zit ik altijd graag iets te tekenen, maar de laatste tijd zat ik vooral te haken of breien. Voorlopig heb ik genoeg voorraad garenrestanten, want voor voornoemde dekens en poncho’s had ik ruim ingeslagen en ook vriendinnen hebben ook regelmatig wat over.

Dit kwam allemaal goed uit toen ik las over Woord en draad, een team dat al twintig jaar textielactiviteiten organiseert. De bedoeling is om door samen te werken aan een textielcreatie en daarbij verhalen uit te wisselen verbinding te leggen tussen verschillende werelden.  Momenteel zijn er een Delfts Kleed en een Delftse Jas in de maak waaraan iedereen kan bijdragen.

Een van de andere activiteiten is een expositie in tentoonstellingsruimte 38CC waar Het Delftse Kleed en De Jurk van Delft die 20 jaar geleden zijn gemaakt te zien zullen zijn. Voor die expositie bleek het mogelijk om eigen werk in te leveren dat dan in een levensgrote letterbak tentoongesteld zal worden, ‘alles wat met textiel te maken heeft is welkom’. Dit leek me een mooie bestemming voor mijn creaties, waarvoor ik dan nog wel even een naam moest verzinnen.

Mijn keuze viel na ampele overweging op ‘Malle Eppie’. Volgens het Woordenboek van populair taalgebruik is dat een scheldwoord voor een gek persoon en was het ooit de bijnaam van een Amsterdamse straatfiguur, maar ik associeer het met een goedmoedige onnozelaar die een glimlach opwekt. Er zijn meer gangbare benamingen voor lichtelijk getikte types, zoals Leipe Lowietje, Gekke Henkie en Malle Maupie, maar voorlopig gebruik ik ‘Malle Eppie’ nu als soortnaam: hieronder staan er drie en er zijn er nog een paar in de maak.

Het linkse exemplaar met de gele achtergrond (30×30 cm) heb ik ingeleverd en is als het goed is van 5 tot en met 20 november 2022 te bewonderen op de expositie Stadscollectie Textiel, in de expositieruimte 38CC aan de Papenstraat in Delft (open van woensdag tot en met zondag van 13:00 tot en met 17:00 uur).

Reptielen

Ik was nauwelijks bijgekomen van het opfrissen van mijn kennis over indelingen in het dierenrijk voor het blogstukje over de scharrelaar, of er kwam naar aanleiding van de belachelijke theorie dat buitenaardse reptielen de macht op aarde overnemen een nieuwe vraag over biologische indelingen bij me op: hoe zit het ook al weer met het onderscheid tussen reptielen en amfibieën?

Kikkers, padden en salamanders zijn amfibieën: ‘een klasse van gewervelde, koudbloedige dieren met een naakte, relatief gladde huid’. Zij maken in hun leven een metamorfose mee: van een larve die alleen in het water kan leven tot een volwassene met longen.

Schildpadden, hagedissen, slangen en krokodillen zijn reptielen (ook wel ‘kruipdieren’ genoemd). Zij behoren eveneens tot een klasse van gewervelde, koudbloedige dieren, maar zij hebben een geschubde huid, ademen al vanaf hun geboorte met longen en leggen hun eieren meestal in warm zand of rottende bladeren.

Hoewel het twee evolutionair onafhankelijke diergroepen zijn worden reptielen en amfibieën samen bestudeerd in de ‘herpetologie’. Omdat met name amfibieën heel gevoelig zijn voor veranderingen in het milieu, worden ze tegenwoordig beschouwd als een ‘kanarie in een kolenmijn’. Veel bekende amfibieënsoorten gaan de laatste jaren hard achteruit, een indicatie voor de wereldwijde verslechtering van het milieu.

Zo had ik het al snel weer min of meer op een rijtje, maar onderweg trof ik in Wikipedia bij de reptielen een onbekende, intrigerende term aan: parafyletische groep. Volgens sommigen voldoet de traditionele klasse van de reptielen namelijk niet meer, omdat het ‘een parafyletische groep is die de warmbloedige vogels niet omvat’.

Een parafyletische groep blijkt een verzameling organismen die van dezelfde voorouder afstammen, terwijl die groep niet alle afstammelingen van die voorouder bevat. De reptielen zijn een parafyletische groep omdat vogels wel van reptielen afstammen maar niet in de klasse van de reptielen zitten. Oftewel, in jargon: ‘Het ontbreken van Aves maakt Reptilia parafyletisch.’ In de tegenhanger, een monofyletische  groep, zitten álle afstammelingen van die ene voorouder.

Zo heb ik door die reptielencomplottheoriediscussie toch nog iets nieuws geleerd.

Tegenreactie

Onlangs kwam ik in de krant twee keer het woord ‘tegenreactie’ tegen en beide keren had ik het gevoel dat er met dat woord iets mis was. Je hebt immers eerst een actie en die roept (eventueel) een reactie op, oftewel een ‘tegenactie’, de letterlijke betekenis van reactie. ‘Tegenreactie’ komt op mij over als een soort ‘dubbelop’, een tegen-tegenactie. ‘Dubbelop’ is een volgens schrijfadviezen afkeurenswaardige taalfout, vaak een onbedoeld pleonasme zoals witte sneeuw of natte regen.

Een min of meer vergelijkbaar ongemak ervaar ik trouwens ook bij een woord als ‘contrareformatie’. Eerst heb je een formatie en dan komt er een reformatie, maar daarop volgt er weer een contrareformatie, die tegen de reformatie in gaat, en daar dus eigenlijk een tegenreactie op is.

Het woord ‘tegenreactie’ staat wel gewoon in Van Dale:

Mijn taalgevoel behoeft hier dus enige correctie. Als ‘reactie op een reactie’ is een tegenreactie geen taal- of stijlfout, maar het begin van een kettingreactie.

 ‘Actie = min reactie’ is trouwens een van de bekende wetten van Newton, de derde om precies te zijn: als lichamen botsen, oefenen ze dezelfde, tegengestelde kracht op elkaar uit.

Als het niet om gladde knikkers gaat komt die wet soms wat vreemd over, zoals in het voorbeeld dat ik op internet vond: als een zwaar beladen vrachtwagen frontaal met een kleine auto botst is de kracht op beide even groot. Toch zal de vrachtwagen dat nauwelijks merken, terwijl het autootje een flinke schuiver maakt. De verklaring is dat de vrachtwagen door zijn véél grotere massa een veel geringere snelheidsverandering ondervindt.

Vorige week werd ik nogal pijnlijk aan deze wet herinnerd, toen ik op straat struikelde en languit op de grond terechtkwam. De aarde raakte daardoor geen millimeter uit haar baan, maar mijn borstbeen en ribben hebben een behoorlijke klap te incasseren gehad.

Hier had de onbedoelde actie ‘vallen’ als reactie ‘kneuzen’ en mijn tegenreactie daarop is nu het slikken van paracetamol.

Groepstentoonstelling in De Bieslandhof

In oktober en november 2022 doe ik mee aan een groepstentoonstelling in verpleeghuis De Bieslandhof. In de gang naar het Trefpunt, rechts van de entree, hangen namelijk schilderijen van deelnemers aan de VAK-cursus ‘Tekenen en schilderen 16+’ van Niels Janssen. We hebben met deze groep, waarin ik al heel wat jaren meedraai,  speciaal voor deze expositie gewerkt aan een ‘Arcimboldo-project’.

Arcimboldo (1527-1593) was een kunstschilder uit de late Italiaanse Renaissance. Hij staat vooral bekend om zijn portretten die zijn samengesteld uit fruit, groenten, vissen en boeken. Voor deze expositie hebben we op de les allemaal een of meer fantasiefiguren á la Arcimboldo gemaakt en geschilderd.

Ik had de smaak al snel te  pakken. Eerst heb ik wat geknutseld met groente en satéprikkers en het resultaat geschilderd. Daarna heb ik me uitgeleefd in knip- en plakwerk met uitgescheurde stukjes papier uit gratis receptenbladen die je bij supermarkten kunt meenemen en andere reclamefolders.

Behalve de resultaten van dit Arcimboldo-project hangen er in De Bieslandhof portretten van Bekende Nederlanders. Deze portretten hebben we in het vorige cursusjaar gemaakt voor een wedstrijd die was uitgeschreven door Museum Paul Tetar van Elven. Vier ervan zijn in het museum tentoongesteld (die van mij niet), maar alle portretten zijn in hun verscheidenheid het aanzien zeker waard. Ze hebben eerder bij elkaar gehangen op de eerste verdieping van OPEN en nu zijn al onze uitwerkingen ook in De Bieslandhof te zien.

Behalve ik werken aan deze expositie mee: Floor Liem, Frank Foole, Wietse van Dijk, Astrid Chorus, Maria Prodença, Henk van Terwisga, Anouk Lander, Sjaan Kerklaan, Ed Lander, Angelique Mergler, Arjan Versteeg en Marieke Giele. Niels Janssen en ik hebben de expositie georganiseerd en ingericht.

Plaats: Verpleeghuis De Bieslandhof
(in de gang naar het Trefpunt, rechts van de entree)
Beukenlaan 2
Delft

Er zijn geen speciale openingstijden: loop als je in de buurt bent gewoon eens binnen om ons werk te bekijken.

Schabouwelijk

In een recente column op internet* kwam ik het woord ‘schabouwelijk’ tegen. Dat woord kende ik niet. Mijn eerste associatie was ‘aanschouwelijk’ vanwege de klank en het rijm, maar dat strookte niet met de inhoud. Het ging namelijk over de tekst in beleidsstukken die het kabinet naar de Tweede Kamer stuurt. Die zijn ‘doorgaans in ondoorgrondelijk bureaucratenproza geschreven (vaak ook in ronduit schabouwelijk Nederlands)’.

Het woord schabouwelijk heeft dus onmiskenbaar een negatieve betekenis. Dat blijkt ook uit de definitie ervan in Van Dale: jammerlijk, ellendig, gevaarlijk, vreselijk. Over de herkomst van dit gewestelijke bijvoeglijke naamwoord staat er dat het is afgeleid van het Zuid-Vlaamse ‘schabouw’: ‘met de wieken in kruisstand’.

De etymologiebank geeft een nadere verklaring van die molenwieken. ‘Met de wieken in kruisstand, ten teken van rouw. Die kruisstand maakte een trieste, doodse, akelige, ellendige, gruwelijke, verschrikkelijke indruk. Vandaar de afleiding op –lijk: schabouwelijk “vuil, gescheurd; verwilderd, tuchteloos”, maar in Vlaanderen veeleer “ellendig, jammerlijk, armoedig, ergerlijk, verschrikkelijk”[…] Schabouw gaat terug op Fr. escabeau “leertje, trapje, dubbele ladder”. De onbezeilde molenwieken zien er nl. als een dubbele ladder uit.’

Als je recht voor een molen met  stilstaande wieken staat, kun je daaruit een betekenis aflezen. Veel molens zijn erfgoed en hebben een website waar de boodschap van een bepaalde stand van de wieken uitgelegd wordt. Zo heeft de website van de Molenviergang in Aarlanderveen plaatjes van de vreugdestand, de rouwstand, de korte ruststand, de lange ruststand en de feeststand (met vlaggetjes).

Niet overal is die taal hetzelfde. De feeststand is bijvoorbeeld niet universeel en de website van molen De Aeldermeul noemt daarnaast een methode om aan te geven dat het om een urgente boodschap gaat: dan wordt er om de wieken een doek gedaan.

Schabouw blijkt trouwens ook een van de vele namen voor een borreltje: ‘Vooral in Sittard en in de Achterhoek is sjabouw een veelgebruikte borrelnaam. Het woord is omstreeks 1935 voor het eerst opgetekend, in Limburg. Het is sindsdien in vele dialectverzamelingen opgenomen, in tal van vormen, waaronder schabouw, sjabau, sjabeijke en sjabouq. Sommigen omschrijven het woord simpelweg als “jenever, borreltje”, anderen als “gewone jenever (voor de lagere klassen)” of “jenever voor het gewone volk”.

* De toegang tot het Binnenhof. Column van J.Th.J. van den Berg, 23 september 2022.

Vakantie in Drenthe

Met mijn zus en schoonzus heb ik een weekje in een huisje gezeten op een vakantiepark in Drenthe, ‘Het land van Bartje’. Op de heen- en terugweg hebben we heel wat omgekeerde vlaggen gezien en spandoeken met hartenkreten als ‘No farmers no food’. In een tuin naast de bushalte stond zelfs een Bartje met boerenzakdoek.

Wat me in het park zelf vooral opviel waren de wegwijzers: allerlei pijlen, maar nergens stond aangegeven waar ze naartoe wezen. Wel zaten er allerlei beeldjes van schattige beesten op. Leuk voor kinderen, dacht ik. Af en toe stond naast het pad een grote uitvoering van zo’n dier. Onder meer deze koe.

Plotseling viel het kwartje, maar misschien heb ik dit zelf ter plaatse verzonnen. De beeldjes op de wegwijzers wezen naar de plaats van het park waar het desbetreffende grote beest lag en dat beest markeerde een bepaald gedeelte van het park.

Wij zaten kennelijk in het koeienkwartier en daarom hingen er in ons huisje ook allemaal schilderijen van koeien. Ik nam meteen aan dat in de huisjes in het varkenskwartier afbeeldingen van varkens hingen enzovoort, maar dat heb ik niet kunnen checken. Kleuters en andere analfabeten konden zo gemakkelijk onthouden welk dier bij hun huisje hoorde en de weg naar huis terugvinden als ze onverhoopt verdwaald waren. Wat slim!

Het tegemoetkomen aan analfabeten ging zelfs zo ver dat de ondertiteling op de televisie door een sonore mannenstem werd voorgelezen. Het is ons helaas niet gelukt dat weg te krijgen.

Het blijkt dus dat je als analfabeet een heel eind komt in het vakantieland van Bartje, maar digibeten komen al snel in de problemen. Dat begon al met de sleutel van het huisje. Je kon de deur openen en sluiten met een app op de smartphone. En bij bestellingen moest je regelmatig eerst een QR-code scannen om te zien wat er op de menukaart stond, vaak met plaatjes inderdaad, en ook voor het bestellen en afrekenen moest je een smartphone hebben.

Natuurlijk hebben we als goede toeristen ook een hunebed (in Borger) en een dierentuin (Wildlands in Emmen) bezocht. En ook de plaatselijke horeca hebben we niet vergeten, met onze smartphone paraat.