Brief van een onbekende

In augustus heb ik weer een Write-along gevolgd die was georganiseerd door  Prompt! Schrijven. Deze keer was het thema ‘De brief’. Bij een Write-along krijg je twaalf dagen lang elke dag een schrijfopdracht en als je alle opdrachten hebt uitgevoerd, heb je een compleet verhaal bij elkaar geschreven.

Ik had al twee keer eerder meegedaan en dat was me prima bevallen. Elke dag brei je op basis  van de opdracht weer een stukje verder aan je verhaal en elke dag is het weer een verrassing welke (onverwachte) kant de opdracht je verhaal nu weer op stuurt. Over beide keren heb ik toen een blogstukje geschreven. Die van mei 2022 had het thema ‘Bestemming onbekend’, en resulteerde in het verhaal ‘Een nieuwe vlek en oud zeer’, en die van rond de jaarwisseling 2022/2023 had het thema ‘Over de drempel’, met als resultaat het verhaal ‘Een stap vooruit’.

Over de kwaliteit van die verhalen zal ik me niet uitlaten, dat is aan de lezer, maar om op deze manier een verhaal stap voor stap op te bouwen is ontzettend leuk.


Deze zomer- Write-along resulteerde in het verhaal ‘Bim Bentum’. Het begint ermee dat de ik-figuur een brief krijgt met een handgeschreven adres, van een onbekende afzender.

Zo. Nu die brief maar eens bekijken. Hij is toch wel intrigerend. De afzender is ene Bim Bentum, nooit van gehoord. Even googelen, toch wel handig soms die smartphone. ‘Ongeveer 0 resultaten’.  Nou, Google, met dat ‘ongeveer’ is het of je niet zeker van je zaak bent. Maar kennelijk zit die Bim niet op internet, dat kan, want wie stuurt er tegenwoordig nog een echte brief, nietwaar.  En dan ook nog met een handgeschreven adres.

Hoe het verhaal zich vervolgens ontwikkelt is te lezen in de pdf.

De volgende Write-along is gepland voor de komende kerstvakantie, met als  werktitel ‘De Show’. en begint op 27 december. Daarvoor heb ik me meteen opgegeven.

Wie het zelf ook eens wil proberen: deelname aan de Write-along is gratis. En voor zes euro kunnen liefhebbers op bestelling een eerdere Write-along volgen.

Muziek kan niet zonder stilte

Tijdens de zomermuziekweek ‘Muziek zit tussen je oren’ kwamen in de lezing van Leo Samama over Stilte in de muziek verschillende thema’s langs uit de andere bijdragen, zoals retoriek en het belang van de context bij het luisteren naar muziek. Dat heb ik gecombineerd tot de volgende samenvatting.

Pas sinds zo’n 150 jaar is het gebruikelijk om stil te zijn tijdens een concert en componisten als Haydn moesten hun publiek tot stilte dwingen om aandacht voor de uitvoering van hun muziek te krijgen. Dat afdwingen kan bijvoorbeeld door vertoon van virtuositeit of door met behulp van retorische trucs een (spannend) verhaal in te bouwen. Rusten en onverwachte pauzes waren daarbij een deel van de trukendoos. Als je mensen wilt dwingen tot actief luisteren, kun je trouwens het beste vanuit stilte beginnen, niet vanuit forte terug naar piano. Dat geldt ook algemener, bij repetities bijvoorbeeld, of bij beeldende kunst: zo nodigen schilderijen als White Painting van Rauschenberg uit tot actief kijken. De stilte is dan in wezen een retorische truc om spanning op te bouwen.


We luisteren nooit onbevangen naar muziek, ook de historische achtergrond speelt een rol. Zo werkten componisten in de Barok met affecten, bepaalde codes die een vaste, algemene betekenis hadden. De toenmalige luisteraars herkenden die betekenissen, bijvoorbeeld bij de weergave van natuurverschijnselen. Zo was het gerommel van de donder in de bassen in ‘Sind Blitze, sind Donner’ uit de Matthäus Passion al lang voor Bach een manier om onweer weer te geven. Met name de aristocratie was daarmee van jongs af aan vertrouwd. Met de opkomst van de burgerij veranderde ook het concertpubliek. Voor componisten werd het belangrijk om te weten voor welk publiek ze schreven, meer op het effect gericht. Wel herkenden veel mensen ook toen nog vaak de betekenis, bijvoorbeeld vanuit de vaste teksten voor bepaalde kerkelijke hoogtijdagen of populaire melodietjes die we nu allang vergeten zijn. Doordat we de affecten niet meer automatisch herkennen, moeten ook wij het meestal hebben van de effecten.


Eigenlijk is het nooit helemaal stil. Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog hoor je tegenwoordig bijvoorbeeld overal muzak, geluid waarnaar je niet echt luistert. Verschillende componisten hebben dat feit becommentarieerd, van wie John Cage met zijn 4’33” stilte de bekendste is. Andere voorbeelden van stille muziek staan op het muziekblog LetsGroef. Bij het beluisteren van dergelijke werken ervaar je geen doelbewust opgesteld geluidsdecor, maar word je je bewust van omgevingsgeluiden, zoals de ademhaling van degene die naast je zit, het gerinkel van koffiekopjes in de foyer of het rommelen van je eigen maag.  De stilte fungeert dan als een soort spiegel, waarin je verbeelding zelf de muziek tot stand brengt. Zo bekeken is een partituur, die zelf niet klinkt, altijd aanleiding tot allerlei denkbare uitvoeringen. Bovendien ervaart een luisteraar een muziekstuk elke keer anders, want de betekenis die je er al luisterend aan geeft wordt mede bepaald door herinneringen aan vroegere uitvoeringen en de context waarin je op dat moment zit te luisteren.

Het Natuurhistorisch

Begin deze week ben ik naar het Natuurhistorisch in Rotterdam geweest, ‘een doodleuk museum’ zoals ze zichzelf noemen. Inderdaad zijn de dieren die je er te zien krijgt dood en is het een leuk museum. Ik was er op weg naar de Kunsthal al vaker langsgelopen en dacht telkens: daar moet ik ook eens naartoe. En nu was het er eindelijk van gekomen.

Het gebouw is niet groot, maar er is heel veel te zien. De permanente expositie bestaat uit tot aan het plafond reikende vitrines met specimina van de meest uiteenlopende soorten planten en dieren, min of meer taxonomisch gerangschikt. Zo zijn er kasten en kisten met weekdieren zoals schelpen en slakken, neteldieren zoals kwallen en koralen, stekelhuidigen zoals zeesterren en zee-egels, en allerlei vlinders, vissen en vogels, en zoogdieren, waaronder een opgezette wolf, ijsbeer en tijger, en verder schimmels en grassen, kortom te veel om op te noemen.

Meteen als je binnenkomt stuit je op een van de bekendste onderdelen: de ‘dode dieren met een verhaal’. Daar vind je onder meer de beroemde dominomus die doodgeschoten werd toen hij bij een domino-evenement een paar duizend van de miljoenen opgestelde stenen had omgegooid, en de McFlurry-egel die met zijn kop vast kwam te zitten in een ijsbeker van McDonald’s.

In een zijkamer, ‘het Kabinet van dr. A.B. van Deinse’, is een deel van de natuurhistorische collectie van deze leraar uitgestald. Hij verzamelde en prepareerde ‘skelet-onderdelen van walvis- en dolfijnachtigen, op sterk water geconserveerde vlezige delen van deze dieren en alle mogelijke relikwieën van de Nederlandse walvisvaart’ en ‘talloze dierkundige rariteiten die hij bij zijn biologielessen gebruikte’.

Het museum benadrukt het belang van biodiversiteit. Dat belang blijft niet beperkt tot ‘de natuur’, maar ook planten en dieren in de stad en het havengebied horen erbij. Dat zijn er onverwacht veel, blijkt uit de expositie ‘Nationaal Park Rotterdam’. Sommige soorten hebben zich goed aangepast aan die stedelijke omgeving.

Naast al die opgezette en geprepareerde planten en dieren, al dan niet in een bepaalde context tentoongesteld, was er ook nog een inspirerende expositie van Henrique van Putten met fabeldieren van textiel en aquarellen die ze op basis daarvan had gemaakt (t/m 22 oktober 2023).

Het was eigenlijk allemaal veel te veel om in één middag te verstouwen: te veel informatie en te veel interessants om nader te bekijken. Bij een volgend bezoek kan ik me beter tot een of twee onderdelen beperken.

Zomermuziekweek ISVW 2023

Eind juli heb ik bij de Internationale School voor Wijsbegeerte de zomercursus over muziek gevolgd. Deze keer was het thema evenals in 2021 ‘Muziek zit tussen je oren’. We kregen drie lezingen per dag voorgeschoteld over muziek-filosofische onderwerpen, de ene wat abstracter dan de andere, maar over het algemeen was het goed te volgen. De in 2023 verschenen essaybundel Muziek zit tussen je oren. Muziekfilosofische beschouwingen onder redactie van Erik Heijerman en Albert van der Schoot was de basis voor deze cursus.

We begonnen met enkele historische benaderingen in de muziekfilosofie. Die waren ook in 2021 langsgekomen en in mijn blogstukje over die muziekweek en een vervolgstukje over de proportiecanon heb ik er al eens kort naar verwezen, maar het kan geen kwaad ze nog eens te noemen.

Voor de pythagoreërs was muziek een kwestie van getalsmatige verhoudingen, proporties. Zo heeft het octaaf, het interval dat je krijgt wanneer je een snaar op een monochord halveert, een verhouding van 1:2. Op die manier kun je ook andere intervallen weergeven als verhoudingsgetallen en daarmee een theoretisch bouwsel construeren dat niet alleen voor de muziek geldt, maar voor de hele kosmos.

Na deze pythagoreïsche proportieleer richtte de muziekfilosofie zich op een mimetische benadering, met de stelling dat muziek een buitenmuzikale betekenis overbrengt, bijvoorbeeld een gemoedstoestand. En in de negentiende eeuw dook er een formalistische opvatting op. Daarin geeft muziek met muzikale middelen klinkend vorm aan louter muzikale ideeën. Deze absolute muziek bestaat los van alle zaken buiten de muziek, zoals die gemoedstoestanden.

In de eenentwintigste eeuw benadert men muziek vanuit weer een andere invalshoek. Nu richt de kritische filosofische blik zich niet zozeer op de muziek als object, maar op onze ervaring van muziek. In navolging van Kants ‘durf te denken’ werd het motto ‘durf te luisteren’. In de huidige muziekfilosofie staat dan ook de rol van de luisteraar centraal.

Vanuit dit perspectief werden tijdens de cursus in 2021 al enkele aanzetten tot kritische analyse besproken. Dit jaar werd dieper ingegaan op thema’s als muziek en verbeelding, gesitueerde kennis, stilte in de muziek (zie ook mijn vorige blogstukje over In futurum), retorica, metaforen en actief luisteren. Samengevat (en heel kort door de bocht) komt het hierop neer. De klanken die we horen zijn meteen weer weg. Een luisteraar geeft bij de uitvoering van een muziekstuk altijd zelf betekenis aan het gehoorde, door dat aan en in te vullen. Daarbij spelen al diens eerdere ervaringen met zo’n muziekstuk en de context van de uitvoering een grote rol. Zo ervaart en maakt iedereen keer op keer zijn of haar eigen uitvoering, die ook voor de betreffende luisteraar telkens anders is. Kortom: muziek zit tussen je oren.

In futurum

Ik ben geneigd allerlei bladmuziek te bewaren. Zo heb ik mappen vol kopieën van losse muziekstukken die ik ooit bij een scratch heb gezongen. In een andere bewaarmap zitten uitgeprinte muzieknotatiegrapjes en -raadsels, zoals de proportiecanon van Josquin Deprez die ik twee jaar geleden in een blogstukje heb beschreven. Een andere verrassende ‘partituur’ die ik me herinnerde was volledig uit rusten opgebouwd, maar toen ik die onlangs zocht kon ik hem nergens meer vinden. En ik wist de componist noch de titel, dus opzoeken was een probleem.

Maar nu zag ik hem onverwachts terug tijdens de zomermuziekweek aan de ISVW tijdens een lezing van Leo Samama, die een boeiend verhaal had over ‘stilte in de muziek’. Hij noemde als voorbeeld het beroemde 4’33” van John Cage, waarin de musicus vier minuten en drieëndertig seconden niets laat horen. Het publiek wordt zich daardoor  bewust van allerlei omgevingsgeluiden. Van dit stuk bestaan heel veel uitvoeringen, voor uiteenlopende instrumenten.

En een tweede voorbeeld was het muziekstuk dat ik nooit meer terug had kunnen vinden! Nu weet ik dus de naam van de componist en van het werk. Het werd geschreven in 1919, meer dan dertig jaar vóór het stuk van John Cage, door Erwin Schulhoff (1894-1942) en is het derde deel van diens Fünf Pittoresken Opus 31 voor piano solo. De titel, ‘In Futurum’, in de toekomst, geeft als het ware aan dat het nog moet klinken.

.

De partituur bevat behalve allerlei rusten voor beide handen aanwijzingen voor de wijze van spelen: ‘het hele lied met expressie en gevoel naar believen, voortdurend, tot aan het eind!’ De tempoaanduiding komt neer op ‘geen’ (’Zeitmass – zeitlos) en een GP ‘generale pauze’ noemt hij een ‘maarschalkpauze’. Om het karakter aan te geven gebruikte Schulhoff een soort oersmileys en de frasering markeert hij met vraagtekens en uitroeptekens.

.

Met deze partituur droeg hij bij aan het dadaïsme, een culturele beweging die na de Eerste Wereldoorlog de vaste normen van de burgerlijke kunst onderuit wilde halen. Op YouTube staat een uitvoering van dit stuk door Gerard Bouwhuis tijdens een concert van de Ebony Band op 25 april 2013 in het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam.

Erewhon

Erewhon is de titel van een boek uit 1872. Ik kwam het tegen in de nieuwsbrief a.word.a.day van Wordsmith1), die me elke werkdag een min of meer onbekend Engels woord stuurt binnen het thema van die week. Die keer was het thema toponiemen, woorden die van een plaatsnaam zijn afgeleid, en het toegezonden woord was het van Erewhon afgeleide bijvoeglijke naamwoord erewhonian. Erewhon is een niet-bestaand land dat wordt beschreven in de gelijknamige roman van Samuel Butler.2)

Erewhon is een anagram van nowhere (nergens). Het is een ‘satirisch utopia’, een land waar ziekte als misdaad wordt beschouwd, godsdienst een financieel systeem van bankiers is, en scholing bestaat uit de onderdrukking van originaliteit. De Erewhoniërs hebben alle machines uit hun land verbannen, omdat ze bang zijn dat die zullen evolueren en de meesters worden van hun makers.

Het verbannen van machines was een verwijzing naar de ‘Luddisten’: aanhangers van het luddisme, een sociale beweging in het Engeland van begin 19e eeuw. Zij verzetten zich tegen industriële en technologische ontwikkelingen (stoommachines!) en vernielden bijvoorbeeld machines in fabrieken.

Het thema is nog steeds actueel, want de ontwikkelingen in kunstmatige intelligentie (AI) roepen bij sommige mensen de angst op dat de mensheid zal uitsterven. Dat lijkt me overdreven, maar er zullen ongetwijfeld onvoorziene maatschappelijke gevolgen zijn en het levert in ieder geval interessante discussies op. Het kappen met of afremmen van AI werkt volgens mij evenmin als het tegenhouden van de industriële revolutie door stoommachines kapot te maken.

Een Nederlandse vertaling van Erewhon door Ernst van Altena verscheen in 1993 (Erewhon: De omgekeerde wereld; Ambo Anthos). Op het omslag daarvan (ontworpen door Harm Meijer) staat een detail van een schilderij van Giorgione dat volgens het colofon ‘De lezende maagd’ heet. Daarvan kon ik onder die naam geen afbeelding vinden. Het schilderij is in het bezit van het  Ashmolean Museum in Oxford en heet daar Virgin and Child (The Tallard Madonna), maar de oorspronkelijke Italiaanse titel is Madonna leggente, dus de naam in het boek klopt wel.

.

Latere toevoeging: Toevallig kwam Erewhon ook ter sprake tijdens de ISVW-zomercursus Muziek (waarover meer in latere blogstukjes), met de opmerking dat je het ook kunt lezen als ‘now here‘ (nu hier).

1) Behalve de nieuwsbrief biedt Wordsmith (‘de magie van woorden’) bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om teksten te ’scrabbeliseren’ en Engelse anagrammen genereren. Patty Adelaar: ‘A data apt lyre’ vond ik wel wat hebben.

2) De (Engelse) tekst van de roman Erewhon van Butler staat online, onder meer op WIkiSource.

Truimen

Onderweg naar de tramhalte kwam ik onverwachts een woord tegen dat ik niet direct kon plaatsen. Van een bestelwagen stond de linkerachterdeur open, waardoor op de andere deur ‘truimen’ te lezen was. Daardoor moest ik meteen denken aan het ‘woordenboekspel’.

Je speelt dat spel met een aantal spelers. Eén van hen, de spelleider, zoekt in het woordenboek een onbekend woord op en noteert de betekenis daarvan beknopt op een briefje. De andere spelers verzinnen elk een eigen mogelijke definitie en schrijven die ook op. De spelleider verzamelt de briefjes en leest ze voor, waarna iedereen aangeeft wat volgens hem of haar ( of ‘hen’ in newspeak) de juiste definitie is. Je krijgt punten als je de correcte definitie gekozen hebt en als een ander jouw definitie voor de juiste aanziet.

.

Het is een leuk spel, maar het blijkt in de praktijk best moeilijk een woord te vinden dat geen van de spelers kent. En nu vond ik op straat zomaar een onbekend woord. Dat het niet bestaat – ik krijg ten minste alleen treffers voor truien en pruimen – hoeft geen probleem te zijn. Als je het spel een klein beetje aanpast en de punten voor het kiezen van de juiste omschrijving laat vervallen, kun je het juist uitstekend spelen met niet-bestaande woorden zoals ‘truimen’. Het leuke is dat je het ook in je eentje kunt spelen door zo veel mogelijk verschillende betekenissen te verzinnen.

Bij het werkwoord ‘truimen‘ bedacht ik bijvoorbeeld:

1. [term voor gedrag]
Zonder iets te zeggen laten merken dat je ergens helemaal geen zin in hebt, met name van toepassing op lamlendige pubers. Voorbeeldzin: Wat zit je toch weer te truimen, we hebben toch afgesproken om naar oma te gaan!

.

2. [bakterm]
Met de hand kneden tot een korrelig deeg om klontvorming te voorkomen. Voorbeeldzin: Truim de ingrediënten altijd op kamertemperatuur.

.

3. [kaartterm; verouderd]
Door onachtzaamheid fouten maken; verwant aan verzaken. Voorbeeldzin: met hem speel ik niet meer samen, want hij truimt negen van de tien keer.

.

Sindsdien ben ik alert op dergelijke onverwachte non-woorden, maar truimen blijft tot dusverre een toevalstreffer.

Windmotor

Momenteel bekijk ik dvd’s van de westernserie The High Chaparral uit eind jaren zestig van de vorige eeuw. Jeugdsentiment, maar inmiddels wat gênant vanwege de stereotype weergave van vrouwen, Apaches en Mexicanen, en de vanzelfsprekende norm van schieten, vechten, drinken en gokken voor mannen. Ook zie je op zo’n ranch in het Wilde Westen een aantal vaste elementen en nu viel me plotseling die veelwiekige molen op.

Ik vroeg me af of die een speciale naam had en al snel ontdekte ik op internet dat het een ‘(Amerikaanse) windmotor’ of ‘roosmolen’ was. Met zo’n windmolen kun je het waterpeil beheersen. Op de ranches in het Wilde Westen van Amerika werd hij gebruikt voor irrigatie en in Nederland werden er in de eerste helft van de vorige eeuw kleine polders mee bemalen.

Het lemma Windmotor in Wikipedia legt uit hoe zo’n windmotor werkt. Hij zou in principe stormbestendig moeten zijn, maar dat ging in Nederland nogal eens fout, met grote schade aan de molen als gevolg. Bovendien werden ze lelijk gevonden, iets wat ze gemeen hebben met de huidige windmolens: ‘Zoals nu het geval is met de windturbines, stuitte de komst van al die honderden Amerikaanse windmotoren in het Groninger landschap op flink wat verzet. Men vond ze niet mooi….”

De windmotoren werden daarom al snel vervangen door een elektrisch gemaal. Tegenwoordig zijn ze als erfgoed voornamelijk een bezienswaardigheid, zoals in Groningen, waar de fietsroute rond het Zuidlaardermeer van Het Groninger Landschap langs drie Amerikaanse windmotoren voert. Deze zijn nog steeds in bedrijf en bemalen natuurgebieden, dus ze doen nuttig werk. Volgens de site Roosmolen is de grond in Nederland aan het verdrogen na alle ruilverkavelingen en grootschalige afwateringssystemen, en kan een roosmolen bijdragen aan het behoud en de ontwikkeling van natte ecosytemen:

‘Met voldoende water in poelen en sloten blijven ook de biotopen bestaan. Door het plaatsen van zo’n windmotor[…] kan flora en fauna blijven bestaan en zelfs weer terugkomen.’

Het is natuurlijk een druppel op de gloeiende plaat van de klimaatverandering, maar toch.

De benaming ‘roosmolen’ vond ik overigens wel grappig. Molen De Roos in Delft is geen roosmolen, maar een bovenkruier, waarmee koren wordt gemalen.

Grijs kastje

Vaak vind ik interessante woorden in de krant of een tijdschrift, maar je kunt ze ook zo maar op straat tegenkomen. Daar is altijd veel te lezen, van reclame-uitingen tot straatnaambordjes en verkeersinstructies. Het meeste daarvan dringt nauwelijks tot me door, omdat het voor mij niet relevant is. Maar een enkele keer valt een woord me op en dan maak ik er meteen een foto van.

Zo stond ik laatst bij een bushalte te wachten en daar viel mijn oog op het opschrift van een grijs kastje, zo’n onbestemd kastje als je op straat wel vaker ziet, vaak voorzien van graffiti en met een onduidelijke, maar ongetwijfeld heel nuttige functie. Het zal wel iets met elektriciteit te maken hebben, denk ik dan. Op dit kastje stond echter vermeld wat erin zat: een ‘spoorstaafconditioneringssyteem’. [Te lang voor de titel van dit blogstukje…]

Dat woord moest ik een paar keer lezen voordat ik het duidelijk voor ogen had, en eigenlijk had ik daarna nog steeds geen idee wat het zou kunnen zijn. Op de sticker eronder stond meer informatie, namelijk het webadres van Rail Partners Holland met in het logo de tekst ‘geluidsoverlast spoorloos’. De functie van het kastje werd op de site van RPH uitgelegd:

‘Vooral op intensief gebruikte spoorlijnen en op emplacementen met veel wissels en krappe bogen kunnen treinen veel geluidsoverlast veroorzaken. De hoog piepende en schurende geluiden ontstaan door het wringen van de wielen op de rails,’ en de onderneming RPH heeft zich ‘toegelegd op het terugdringen van dit storende boog- en rolgeluid’. Hun unieke oplossing is ‘het selectief plaatsen van SpoorStaafConditioneringsSystemen’. En hier stond zo’n systeem zomaar bij de bushalte!

Weliswaar liggen er al heel lang rails op die busbaan, in afwachting van het doortrekken van tram 19 naar de TU-wijk, maar die verbinding is er nog steeds niet: het voor 2008 geplande project heeft inmiddels al meer dan vijftien jaar vertraging. Volgens de gemeente Delft zal de tram eind 2023 eindelijk doorrijden naar het nieuwe eindpunt, maar de site van TU-Campus heeft het over voorjaar 2024. In ieder geval kan dan dankzij het spoorstaafconditioneringssyteem meteen de geluidsoverlast worden gemeten. Het is dus dankzij de vooruitziende blik van deze of gene een proactief geplaatst kastje.

Tellus

De aanleiding voor dit blogstukje komt uit de krant. In een serie over scheikundige elementen stond bij het element Telluur (Te 52) dat dit element vernoemd was naar de godin Tellus. Die godin kende ik helemaal niet!

Het woord tellῡs is Latijn voor ‘aarde’ en Tellus was een Oud-Romeinse beschermgodin van de aardbodem. In de religieuze praktijk was ze vanouds de oorspronkelijke aardgodin en werd ze aangeduid met de namen Tellus mater of Terra mater. Terra werd daarbij meer gezien als het element aarde, een van de klassieke elementen (aarde, lucht, vuur en water), en Tellus meer als personificatie van de Aarde.

Ook was Tellus de vaste grondslag waarop alle orde in de natuur rust. Daarom werd ze ook aangeroepen bij aardbevingen. Enkele eeuwen voor onze jaartelling liet de Romeinse consul Publius Sempronius Sophus een tempel voor Tellus bouwen, als dank voor de aardbeving waardoor hij zijn strijd tegen de Picentes  had gewonnen.

Tellus-reliëf op het altaar Ara Pacis Augustae in Rome

In veel mythologische scheppingsverhalen komen uit een verbintenis van de aardgodin of ‘oermoeder’ met een mannelijke hemelgod alle andere goden en godinnen voort. Zo stond Tellus / Terra door haar huwelijk met de hemelgod Caelus aan de wieg van het Romeinse pantheon. In de Romeinse keizertijd waren er echter inmiddels twaalf goden en godinnen voor allerlei aspecten van de landbouw, waarvan Tellus er slechts een was. Uiteindelijk werden al die landbouwgoden min of meer gecombineerd tot Ceres, de godin van het graan en de akkerbouw. Daarom vinden we tegenwoordig weinig terug van de verering van Tellus.

In veel opzichten is Tellus vergelijkbaar met de Griekse Gaia. Deze aardgodin kwam voort uit chaos, die de vier basiselementen aarde, water, lucht en vuur bevatte. Gaia is tegenwoordig vooral bekend van de Gaia-hypothese van James Lovelock en Lynn Margulis. Volgens die hypothese zorgt de aardse biosfeer zelf voor een situatie die optimaal is voor leven, wat wordt geïllustreerd met de madeliefwereld (Daisyworld).

Die madeliefwereld is bedekt met zwarte en witte madeliefjes, die warmte respectievelijk absorberen en reflecteren. Doordat de samenstelling van de madeliefjespopulatie zich steeds aanpast blijft de temperatuur van die wereld min of meer constant. Deze hypothese is omstreden, maar het zou natuurlijk mooi zijn als de klimaatopwarming zich zelf oplost. Ik heb daar zo mijn twijfels over.

Dat neemt niet weg  dat Tellus me een godin lijkt die weer in ere hersteld mag worden. De aardbodem kan best wel een beschermgodin gebruiken en Groningers kunnen haar hulp inroepen bij aardbevingen.