Viburnum

Mensen die in de winter bij mij op bezoek komen zeggen als ze uit het raam kijken regelmatig: ‘Die bomen staan al in bloei!’ En als ik in die periode ’s morgens de gordijnen open trek denk ik soms dat het gesneeuwd heeft. (Dan ben ik natuurlijk nog niet helemaal wakker en heb ik mijn bril nog niet op, dat scheelt ook). De bomen in mijn ‘achtertuin’ zien er echter vanaf oktober/november altijd zo ‘besneeuwd’ uit, dus het is waarschijnlijk gewoon iets wat bij die boomsoort hoort.

Nu had ik geen idee wat voor soort dat is en dat heb ik geprobeerd te achterhalen met behulp van Google-lens. Als je de camera van je smartphone op een plant richt zoekt deze app vergelijkbare plaatjes op, met een link naar de herkomst. De bomen in mijn achtertuin zijn nogal hoog en je moet voor zo’n foto toch vrij dichtbij komen, maar toen ik er op ging letten zag ik onderweg naar de stad vergelijkbare boompjes die wat lager waren. Ik voerde de app met een foto daarvan en zo kwam ik uit bij de Viburnum farreri.

In ieder geval in grote lijnen kloppen de beschrijvingen van Viburnum farreri met wat ik in de tuin zag, bijvoorbeeld die op de site van een Belgische groothandel: ‘een middelgrote bladverliezende heester met een sterk opgaande vorm. Vanaf eind oktober tot in maart bloeit hij rijkelijk met geurende rozewitte tot witte bloempjes in kleine tuilen.’


Op de site van Groei en Bloei heet het een bladverliezende, winterbloeiende heester, met de bijnaam ‘December Dwarf’ en de Nederlandse naam ‘sneeuwbal’. De site van Appeltern heeft het over ‘een geurende sneeuwbal’, een roze sierheester met een hoogte tot 1,50 m. Elders komen hoogtes langs tot maximaal 2,50 m. De bomen in mijn achtertuin zijn een stuk langer, dus misschien horen die tot een andere soort Viburnum. Wikipedia heeft een lemma over het hele sneeuwbalgeslacht, niet over alle 150-175 soorten Viburnum. Daarin staat dat er hybride vormen bestaan en dat sommige soorten de afmeting hebben van kleine bomen. De kans lijkt me dus groot dat mijn bomen familie van Viburnum farreri zijn.

Ik heb daarnaast ook de bomeninformatie van de Gemeente Delft geraadpleegd. Helaas staan ‘mijn’ bomen wel op de kaart (de lichtgroene bolletjes), maar zonder de donkergroene stip die aangeeft dat de database er gegevens over heeft.


Voorlopig noem ik de bomen in mijn achtertuin dus maar Viburnum of ‘sneeuwbalbomen’.

Nieuwjaarswens 2024

Het nieuwe jaar is al een paar dagen oud en mijn kerstboompjes en rendieren liggen weer in de kelder. Toch is het nog wel nieuw genoeg om alle lezers van dit blog een gelukkig en gezond nieuwjaar te kunnen toewensen, aangevuld met mijn nieuwjaarswens van vorig jaar: ‘Moge 2024 voor iedereen een jaar worden waarin je je creatief en recreatief kunt uiten in het luisteren naar of beoefenen van muziek, in het schrijven of anderszins bezig zijn met taal, in schilderen of tekenen in kleur en zwart-wit, in experimenteren met baksels en andere geknutsel, en moge bij al die activiteiten de onvermijdelijke tegenslagen behapbaar en weinig in aantal zijn.’

Al meer dan vijfentwintig jaar maak ik een papieren knutselwerkje als nieuwjaarswens. Naderhand werk ik het basisontwerp vaak verder uit, want al dat frutselen met gekleurde papiertjes brengt me op nieuwe ideeën. In ieder geval verwerk ik de laatste jaren een uitsnede ervan met acryl tot een schilderijtje op een mdf-paneeltje van 20×20 centimeter. Aan dat van 2024 moet ik natuurlijk nog beginnen, maar hieronder staat het resultaat daarvan uit 2021, 2022 en 2023. De paneeltjes staan met de exemplaren uit andere jaren in de boekenkast in de gang, waar ze mijn fantasy- en horror-boeken verbergen.


Natuurlijk heb ik voor 2024 ook een kalender gemaakt. Dit jaar heet hij ‘Stippels en kleur’, want de oorspronkelijke tekeningen op A4-formaat zijn voornamelijk gestippeld met gekleurde fijnschrijvers en er is verder niet echt een overkoepelend thema. Delftenaren zullen een aantal afbeeldingen wel herkennen en de meeste ervan spreken voor zich. Soms is misschien een summiere toelichting nodig. Zo is april een origami-kraanvogel die voor een piramide staat en stelt november een treincoupé voor. Voor december ben ik niet van een foto uitgegaan, maar van een paar basisvormen die vaker in mijn werk voorkomen, ‘denkers’ en ‘sansevieria’s’, met op de achtergrond een mandala.


En zo is met dit 336ste stukje weer een nieuw blogjaar van start gegaan.

Boekenvondst -2- Computerhumor

In de jaren negentig van de vorige eeuw werkte ik in de automatisering en kocht ik af en toe een boekje waarin de draak werd gestoken met pc’s. Onlangs kwam ik die boekjes weer tegen en een aantal heb ik herlezen, soms met een grote glimlach van herkenning.

Zo beschrijft het boek Computerdromen van Wouter Schoonman uit 1991, met de omineuze ondertitel 28 nachtmerries over automatisering, een aantal min of meer realistische situaties in een bedrijf dat pc’s invoert. Het ‘hoofd automatisering dat zichzelf EDP-manager noemde’ droomt van een grootste carrière waarin hij veel mensen aanstuurt en in een dure auto rijdt. Het directielid wil een bedrijf dat met zijn tijd meegaat en waarmee hij kan pronken bij zijn golfmaatjes. En de soft- en hardware-verkopers spelen daarop in met hun cryptische jargon en halen zo grote orders binnen.

Aan de hand van enkele praktijksituaties maakt Schoonman duidelijk dat de gedachte dat de bedrijfsprocessen dankzij automatisering zullen verbeteren meestal een illusie is. Het directielid is er bijvoorbeeld op een goed moment van overtuigd dat er een netwerk moet komen waarin alle pc’s in het bedrijf met elkaar verbonden zijn. Daarvoor stelt hij een ‘Connectivity Task Force’ in, ‘en het vergaderen begon’.


Na enkele maanden rapporteert deze groep aan de directie, die wel een beetje schrikt van wat er allemaal bij komt kijken, met name het financiële plaatje valt niet mee. Maar geen nood, de voorgestelde gefaseerde invoering behelst in de eerste fase louter ‘een relatief eenvoudig LAN met geïntegreerde electronic mail faciliteiten’. Na enige tijd vraagt het directielid zijn secretaresse hoe die nieuwe faciliteiten bevallen en op zijn vraag hoe het nu met de interne berichten gaat (‘die gaan toch via de e-mail, neem ik aan?’ ) haalt ze een stapeltje gele papiertjes met plakrand te voorschijn. ‘Hier schrijf je je bericht op en daarna plak je het gewoon op het beeldscherm van de ander, dat werkt snel en effectief.


Ook voor dergelijke ‘geeltjes’ (post-its of sticky notes) heb je tegenwoordig, zo’n dertig jaar later, allerlei computerprogramma’s, maar ik heb nog steeds liever de papieren variant: die gebruik ik als boodschappenbriefje dat ik op mijn portemonnee plak.

Het leuke (en pijnlijke?) is wel dat ik het jargon waarmee het directielid wordt overdonderd nog best goed kon volgen.

Kerstzang 2023

Na een aantal jaren waarin mijn kerstzang beperkt bleef tot deelname aan het ad hoc-koor voor de kerstreis van Swetterhage (2017, 2018 en 2022), en terwijl ik in de coronatijd hooguit mee kon zingen met de computer of met een cd, heb ik deze week drie dagen achter elkaar  gezongen. Jammer genoeg had ik door een hardnekkig hoestje last van mijn stem, maar mijn plezier was er niet minder om.

Op maandagmiddag was er ‘kerstsamenzang’ in De Bieslandhof. De grote zaal was prachtig verlicht en sfeervol aangekleed. De teksten werden op een scherm geprojecteerd en iedereen zong enthousiast mee. De zang, begeleid door Leo aan de piano, werd afgewisseld met korte gedichten over het thema ‘licht’. Helaas was het na drie kwartier alweer afgelopen. Iedereen kreeg als aandenken een zakje mee met een kerstbonbon en een waxinelichtje.


Op dinsdag repeteerden we bij Cantarella tot de pauze en was er daarna een het ‘open podium’ waar verschillende leden optraden. Ondanks mijn stemproblemen waagde ik het erop weer een solo te zingen: ‘Little Donkey’. Ik werd begeleid door onze vaste pianist Rutger de Ronde, die me een paar keer heeft gered toen mijn stem niet direct aansloeg en het omslaan van de blaadjes even misging. Het lied moedigt het voortploeterende ezeltje aan dat met de hoogzwangere Maria op weg is naar Bethlehem: ‘Volhouden, je bent er bijna.’ Eigenlijk was dat het enige kerstliedje die avond, de andere bijdragen waren ‘gewone’ stukjes, vocaal en instrumentaal, maar wel mooi.


Woensdagmiddag ten slotte had ik eindelijk weer eens een echt kerstconcert. Met het Vrouwen Kamer Koor Delft, waarin ik sinds september meezing, traden we onder leiding van dirigent Steven van Wieren op voor bewoners van de Vermeertoren en bezoekers van de dagbesteding daar. Op het programma stonden ‘oude bekenden’ van me, zoals een aantal Engelse Carols, sommige met een Nederlandse tekst, maar ook een paar liedjes die ik tot dan toe nog niet had gezongen, afgewisseld met Nederlandse ‘klassiekers’ die  iedereen kon meezingen. Tussen de koorstukken werden een paar toepasselijke gedichten voorgelezen en twee keer was er een ‘muzikaal intermezzo’ door Henny van Buijtene die ons aan de piano begeleidde.

Dit jaar ben ik qua kerstzang dus aardig aan mijn trekken gekomen. Een paar hardnekkige wijsjes moet ik nu weer uit mijn hoofd zien te krijgen, maar dat gaat lukken.

Allemaal prettige kerstdagen gewenst, al dan niet met stemmige samenzang.

Boekenvondst -1-

Vroeger, toen Cantarella nog een papieren verenigingsblad had, schreef ik in de rubriek ‘Patty leest een boek’ over min of meer obscure, muziek-gerelateerde boekjes die bij mij op de plank verdwaald waren tussen serieuze naslagwerken en partituren. Ik moest hieraan denken toen ik tijdens een halfslachtige poging mijn boekenkamer op te ruimen verschillende boeken en boekjes aantrof waarvan ik het bestaan was vergeten. Een aantal daarvan heb ik apart gelegd om te (her)lezen en er in mijn blog iets over te schrijven.

Als eerste heb ik Over het conserveren van boeken* opgepakt. Dit boek had ik ooit van een boekenmarkt in Tilburg meegenomen en het was vervolgens ongelezen op de plank terechtgekomen. Het blijkt een heruitgave uit 2000 van een lezing die ene Dr. P.J. Cools MSC in 1947 heeft gehouden voor de Nederlandse Vereniging van Bibliothecarissen. Deze pater Cools was onder meer bestuurslid van de Vereniging voor seminarie- en kloosterbibliothecarissen en bibliothecaris in het Missiehuis in Tilburg.


In zijn lezing bespreekt Cools de noodzaak om het boekenbestand van onze bibliotheken te conserveren met het oog op allerlei bedreigingen: door mensen (zowel bibliotheekpersoneel als lezers), dieren (muizen en boekenwormen), schimmels, en ‘dingen’ (water en vuur). Daarbij noemt hij mogelijke maatregelen om die schade te voorkomen. Naast de tekst van de lezing staan in de ruime marge achtergronden en commentaar uit 2000 van Ed Schilders, die onder meer opmerkt dat een aantal van de genoemde bedreigingen nog steeds bestaan.

Met name lezers zijn een gevaar voor boeken, bij hen komen we bijvoorbeeld vouwenleggers, dwangmatige aantekeningenmakers en illustratie-uitknippers tegen. ‘Lezers kunnen ruggen breken, boeken scheuren, met de ellebogen erop leunen, het bevuilen met speeksel of vocht, er allerlei dingen tussen laten zitten of vallen, zoals tabak, koekkruimels of boterhammen.’


Ratten en muizen knagen aan de boeken en vervuilen en vernietigen het papier met hun uitwerpselen. ‘Zorg dat er absoluut niets eetbaars is in de bibliotheekruime.’ Het commentaar citeert: ‘De onverlaat die het waagt in een bibliotheek meegebrachte eetwaren aan te spreken, dient onverwijld de uitgang gewezen.’

Een kat inzetten raadt Cools af, want die is misschien niet zindelijk. In het commentaar merkt Schilders echter op: ‘Het houden van katten in bibliotheken was in de negentiende eeuw niet ongewoon. De Franse Bibliothèque Nationale had circa 1900 katten in dienst als muizenvangers, maar werd toen muisvrij verklaard.


Enigszins tot mijn verrassing bleek deze eerste ‘boekenvondst’ een onderhoudend en leerzaam werkje.

* Over het conserveren van boeken. Dr. P.J. Cools MSC, bezorgd en van aantekeningen voorzien door Ed Schilders en met een biografische schets door Jef van Kempen; Stichting Dr. P.J. Cools MSC, Tilburg, 2000; 50p.
[MSC staat voor Missionarii Sacratissimi Cordis Jesu, oftewel Missionarissen van het Heilig Hart.]

Sabel

Eind november2023 vermeldde de NOS de vondst van de sabel van de Indonesische verzetsheld Diponegoro.1) Omdat ik nog steeds bezig ben met het (her)lezen van allerlei boeken over Koning Arthur, waarin regelmatig zwaarden voorkomen, vroeg ik me af waarin een sabel eigenlijk verschilt van een zwaard, en van allerlei andere wapens die ik een zwaard noem, zoals degens en floretten.

Een sabel is een ‘slagwapen met één snede’ en het woord stamt uit het Hongaars: szablya [sabel], van szabni [op maat snijden]. Szabó is kleermaker. Om de verschillen met andere wapens te achterhalen keek ik eerst naar de schermsport. Het zwaard doet daarin niet mee, maar  Wikipedia zegt wel iets over de drie verschillende wapens die op de Olympische Spelen bij het schermen worden gebruikt: floret, degen en sabel.

Een floret heeft een vierkante kling en een dopje op de punt. De kling of het lemmet is het gedeelte deel waarmee je snijdt, en het deel waar je het wapen vasthoudt heet het heft of gevest. De floret werd uitgevonden omdat er tijdens het oefenen met de andere wapens te veel doden en gewonden vielen. Een degen heeft een rechte, puntig toelopende kling en de kling van een sabel is bij de kom driezijdig en naar de punt toe vierzijdig.

Hierna keek ik nog naar een militair netwerk (waar ze het sabel schrijven). Een sabel valt daar onder de ‘blanke wapens’ en wordt tegenwoordig voornamelijk voor ceremoniële plechtigheden gebruikt. Op die site kwam ik ook nog het rapier tegen: een lange, puntige degen, waarmee vroeger wel werd geduelleerd, maar wat in wezen een sierwapen was.

Een zwaard is een tweesnijdend wapen waarvan de rechte kling breder is dan die van een degen. Zwaarden hebben in de loop der eeuwen uiteenlopende vormen en formaten gehad. Wikipedia noemt als basiskenmerk van een zwaard dat het een langwerpig wapen is, met een scherp zwaar metalen blad, een pommel en een handvat. De pommel is het tegenwicht aan het uiteinde van het heft. Sabels worden daar niet tot de zwaarden gerekend omdat hierbij de massa geen rol speelt.

Als ik dat allemaal zo lees en de plaatjes bekijk, is mijn voorlopige conclusie dat voor een sabel de licht gebogen vorm, de enkele snijrand en het betrekkelijk lichte gewicht kenmerkend zijn. En dat de term ‘zwaard’ gerust gebruikt mag worden als een overkoepelende categorie voor allerlei slag- en stootwapens.

1) https://nos.nl/artikel/2499647-sabel-van-indonesische-verzetsheld-diponegoro-herontdekt-in-paleis-het-loo

Dini

Deze week een kort, atypisch blogstukje.

Vorig weekend is onze sterke, vrolijke, sportieve en creatieve moeder Dini overleden. Ze is 95 jaar geworden en zoals als motto op de kaart zegt:

het is goed zo

Hieronder staan een paar afbeeldingen van werk dat ze in de periode van 2018-2020 heeft  gemaakt.

Kanarieboekjes

Op een grote rommelmarkt in Apeldoorn lag in een kraam een aantal ‘kanarieboekjes’. Ik herkende ze meteen: klein formaat, geel/grijze kaft, intrigerende inhoud: een serie zelfhulpboekjes uit de jaren dertig tot vijftig van de vorige eeuw. De exemplaren op de markt waren niet bepaald in prima staat, want de bladzijden lieten los zodra je erin bladerde. Toch heb ik er een gekocht, niet zozeer om de inhoud, maar als een geheugensteun om ze eens op te zoeken, met dit blogsstukje als resultaat.

Het boekje dat ik had  gekocht was nummer 175, met de titel Utopië. het land van belofte door Sir Thomas More (1947). Het had slechts 64 bladzijden, dus het is vast geen getrouwe vertaling van het beroemde  Utopia uit 1516, want het oorspronkelijke boek uit 1516 telt 186 pagina’s en in de vertalingen varieert het aantal van 160 tot 180. Zelfs het lemma van Utopia in Wikipedia met een samenvatting van de inhoud is al vrij omvangrijk, met meer dan tien bladzijden A4. Het bleek te gaan om een ‘nieuwe bewerking door Herbert N. Casson’.


De kanarieboekjes waren zelfstudie- en zelfhulpboekjes en werden vanaf eind jaren vijftig uitgegeven door de Haagse uitgeverij Succes. De uitgebreide beschrijving van Kanarieboekjes in Wikipedia geeft een overzicht van alle verschenen boekjes en bij het zien van de lijst met de 260 verschenen titels in deze ‘practische Vestzakuniversiteit’ dacht ik af en toe: die had ik vroeger best wel kunnen gebruiken, zoals Zóó krijgt u moed en zelfvertrouwen. Sommige afleveringen zijn vergelijkbaar met de ‘HowTo’- sites die tegenwoordig op internet zijn te vinden: Zóó schrijft u teksten en brochures. Andere zijn kleine taalgidsen, met aparte afleveringen voor grammatica, conversatie en woordenboek.

Tot mijn verbazing stond er in de lijst ook een boekje waarvan ik me realiseerde dat ik dat zelf nog ergens moest hebben, hoe ik er ooit aan ben gekomen is me een raadsel. Na enig zoeken vond ik het terug in een bak met allerlei andere kleine boekjes die in de boekenkast kwijt zouden raken. Het ging om nummer 115: 50 spelletjes binnens- en buitenshuis voor jong en oud, door Eva Bonheur. Nogal oubollig (‘fuif’) en af en toe tenenkrommend seksistisch. Het waren andere tijden, natuurlijk, maar toch. Van één spelletje herinner ik me dat we dat ooit op een kinderpartijtje hebben gespeeld: een omhulsel van een lucifersdoosje aan elkaar doorgeven met je neus.


Een aantal Kanarieboekjes staat integraal op internet, maar lang niet allemaal, helaas.

In DBNL staan er 11, onder meer Zó schrijft u teksten en brochures en Delpher geeft 20 treffers, waaronder het voornoemde Zóó krijgt u moed en zelfvertrouwen (1942). Die heb ik natuurlijk allebei meteen gedownload. Beter laat dan nooit, nietwaar.

Meldakraam

Wat voor kramen zijn meldakramen, vroeg ik me af bij een vluchtige blik op een artikel over een reddingsplan voor het Cobramuseum in Amstelveen. Toen ik wat nauwkeuriger las werd duidelijk dat ik hier te maken had met een verschijnsel zoals het ‘truimen’ uit een eerder blogstukje.

Na de ‘meldakramen’ stond namelijk ‘waardoor de ramen van het museum voortaan niet meer afgeplakt hoeven te worden’. De verwarring kwam doordat die zogenaamde kramen het tweede deel waren van een afbreking na de eerste lettergreep ‘la’, waardoor dat tweede deel in mijn hoofd een verkeerd woordbeeld had opgeroepen.


Het woord melda staat niet in Van Dale. Het woord ‘melde’ trouwens wel, zag ik, dat niet alleen de aanvoegende wijs van melden is, maar ook een ‘ganzenvoetachtig plantengeslacht waarvan verschillende soorten in het wild voorkomen’. Ganzenvoet is behalve de voet van een gans een plantenfamilie, met als familielid onder meer de vijgbladige, witte of gladzadige ganzenvoet, waarvan het synoniem de melganzenvoet is. Deze naam dankt hij aan de vorm van de bladeren die op ganzenvoeten lijken en de melige groene kleur van de onderkant van de bladeren. Maar dit terzijde.


Op internet kwam ik bij het zoeken op melda alleen MeldaProduction tegen, een producent van audiosoftware. Dus het lijkt erop dat het als ‘gewoon’ zelfstandig naamwoord nog niet bestaat, wat de vrijheid geeft om zelf iets te verzinnen voor melda waar het woord kraam achter geplakt kan worden. Bekende voorbeelden van een kraam (een tent van hout en/of doek waarin waren te koop worden aangeboden) zijn de groentekraam, de kaaskraam en de viskraam. Vroeger had je ook de poppenkraam en in een santenkraam werden oorspronkelijk heiligenbeelden verkocht.

Maar wat voor koopwaar zou er in een meldakraam kunnen liggen? Plotseling zag ik stapels schoenen voor me uit de verzameling van de voormalig presidentsvrouw van de Filipijnen, Imelda Marcos: merkschoeisel tegen een zacht prijsje: Chanel! Gucci! Dior!. Haar collectie van enkele duizenden paren, die was opgeslagen in een museum in Manilla, is echter al ruim tien jaar geleden verloren gegaan door termieten, waterschade en schimmel.


Misschien hadden dakramen met lamellen dat kunnen voorkomen.

Marmottenlied

Op het ‘open podium’ van een feest van mijn zangkoor Cantarella heb ik een paar liedjes gezongen, waaronder het ‘Lied des Marmottenbube’, ook wel bekend onder de eerste regel ‘Ich komme schon durch manche Land’. Ludwig van Beethoven (1770-1827) schreef dit op een tekst van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Goethe kreeg inspiratie voor dat lied toen hij zag hoe gevluchte kinderen uit het door Frankrijk geannexeerde Savoye op jaarmarkten of in herbergen geld bij elkaar bedelden door hun marmot kunstjes te laten vertonen.

Van een marmot weten we dankzij het roemruchte televisieprogramma Wie wil er mijn marmotje zien van Han Rensenbrink uit de jaren vijftig: ‘Hij kan dansen, hij kan springen, hij kan mooie liedjes zingen’. In dat programma ging het overigens volgens mij niet om een marmot, maar om een cavia. De alpenmarmot, de soort waarmee in de historische regio Savoye geld werd verdiend door ze tentoon te stellen, is in ieder geval een stuk groter dan het beestje op de televisie. De alpenmarmot kan een halve meter lang worden. Hij is ook befaamd om zijn winterslaap; hier komt de uitspraak ‘slapen als een marmot’ vandaan.


Goethe was dus geraakt door het lot van die kinderen en in 1778 nam hij in zijn theaterstuk Das Jahrmarktsfest zu Plundersweilern een scene op waarin een boerenjongen, die hij toepasselijk Marmotte noemt, de tekst voordroeg waarop Beethoven in 1805 de bekende melodie componeerde (Opus 52 nr 7). De omstanders belonen de jongen met wat kleingeld.


De tekst heeft vier coupletten, elk gevolgd door een refrein met een aantal herhalingen van ‘avec que la Marmotte’. Ik heb alleen het eerste en laatste couplet gezongen, vrij vertaald: ‘Met de marmot heb ik al menig land bezocht en altijd vond ik iets te eten… Laat mij nu niet zomaar gaan, beste mensen, want jongens eten en drinken graag.’

[foto Netty Zeegers]

Op YouTube staan uitvoeringen in verschillende tempi en met verschillende bezettingen: van ‘gewoon’ solozang met piano door gerenommeerde zangers als Ian Bostridge (piano: Antonio Pappano) en Dietrich Fischer-Dieskau (piano: Hertha Klust) tot een onbegeleid duet Susanne Polzer und Christina Fischer en een kinderkoor: Nieuw Amsterdams Kinderkoor.