Negenennegentig woorden

In het blogstukje over mijn ‘certificaat’ met het ultrakorte verhaal Tijdlus, kondigde ik aan dat ik zou proberen andere verhaaltjes tot zo’n ‘UKV’ te bewerken, want zoiets leek me qua omvang heel geschikt om in een blog te zetten.

Onlangs had Schrijven Magazine een schrijfwedstrijd uitgeschreven voor UKV’s die maximaal 99 woorden mochten bevatten en binnen het thema ‘een nieuw geluid’ moesten passen. Ook ik had daarvoor een verhaaltje gemaakt en ingestuurd. Alleen de winnaars zouden bericht krijgen en over mijn inzending heb ik nooit meer iets gehoord, dus helaas. Maar zoals gezegd: ik kan het verhaal via mijn blog toch naar buiten brengen.

Ik heb wel gemerkt dat negenennegentig woorden erg weinig is om een echt verhaal te vertellen. Ik blijf het natuurlijk wel proberen, maar houd me niet meer strikt aan het aantal dat voor deze wedstrijd was voorgeschreven. Verhaaltjes tot zo’n twee à driehonderd woorden passen immers ook nog prima in een blog. Maar het volgende verhaal, dat ik had ingestuurd, voldoet nog wel aan die eis.

—–


Davy

De tunnel halverwege het wandelpad weerkaatste haar voetstappen. Het klonk hol zonder het vertrouwde getrippel naast haar. Ze had de plotselinge stilte in de voetgangerstunnel onder de snelweg altijd een verademing gevonden, maar nu maakte die haar triest. De echo benadrukte de leegte, het gemis.

Dadelijk zou het geraas van de snelweg weer in volle hevigheid losbarsten. Ze liep door, naar het licht toe. Dat zeggen ze altijd, dacht Mientje wrang, dat er licht gloort aan het eind van de tunnel. Even hoopte ze inderdaad Davy daar te zien. Kwispelend, alsof hij vooruit was gelopen naar dat interessante graspolletje.

——

Achtergrond

Davy was de hond van Trudy. Hij is meer dan tien jaar geleden overleden en was de voorganger van Kyra, aan wie ik in 2018 een blogstukje heb gewijd. Op zondag liet ik hem regelmatig uit, een prima gelegenheid om achter mijn computer vandaan te komen.

Balkon weer zomerklaar

De meeste planten op het balkon waren uitgebloeid en af en toe is het er al aangenaam toeven, dus was het hoog tijd voor de jaarlijkse opknapbeurt. De hei stond er nog florissant bij, dus die mag blijven, evenals een paar grotere planten en een handvol kleine opkomende groene groeisels waarvan het nog een verrassing is wat die gaan worden.

Ook de eik heeft de winter goed doorstaan. Hij was natuurlijk helemaal kaal geworden, maar dat doen loofbomen nu eenmaal, dus daarover heb ik me geen zorgen gemaakt. Zodra het langer licht werd en de temperatuur ging stijgen liep hij uit en kreeg hij steeds meer nieuwe blaadjes.


Bij de supermarkt had ik vouchers voor plantjes bij elkaar gespaard, maar helaas had ik niet goed op  de datum gelet. Die was inmiddels verstreken, dus was ik te laat voor de lavendel, het duifkruid en het strandkruid. Tussen de buien door ging ik daarom op tweede pinksterdag met Anita en Faya naar een paar tuincentra om nieuwe planten en aarde te halen. Deze keer heb ik geen geraniums gekocht, maar verbena, bidens en een soort anjertjes. Dat zegt Google Lens tenminste, want de potjes heb ik weggegooid. Een paar van de oude vaste planten kregen  een extra grote bloempot, want die waren uit hun jasje gegroeid en topzwaar geworden. Ze waren tijdens een storm al eens omgevallen.


Nu moet ik nog op zoek naar een degelijk, weerbestendig kastje waarin ik zakken aarde, lege bloempotten en zo kan bewaren. Die er nu staan blijken niet echt bestand tegen de regen. Van een ervan ligt de achterkant er helemaal uit en het andere, wat robuustere kastje heeft geen deurtjes. Die hoek van het balkon ziet er daardoor erg sjofel uit. Dat zie ik niet als ik vanuit mijn slaapkamer naar mijn planten kijk, maar wel als ik op het balkon zit.


[Meer over het balkon in blogstukje Zomerklaar – april 2023.}

[Meer over de eik in het blogstukje Plantennieuws – juni 2023]

Bushalte

Een paar keer in de week ga ik met de bus naar het winkelcentrum of het station. De afgelopen jaren heb ik alles bij elkaar dan ook heel wat tijd op de halte doorgebracht. Gelukkig doet het schermpje bij de halte het weer, waarop te zien is hoe lang het nog duurt voordat de bus komt. Dat geeft houvast en voedt het vertrouwen dat hij inderdaad komt.

Als ik zie dat de wachttijd tien minuten of meer is besluit ik vaak om alvast naar de volgende halte te lopen, goed voor het aantal stappen. Ook als ik blijf wachten zet ik trouwens stappen: heen en weer van het bushokje naar de paal met het scherm. Onlangs werkte dat scherm een paar weken niet. Er staat wel een telefoonnummer bij dat je kunt bellen bij een storing, maar zoiets doe ik dan weer niet.


Als het regent ga ik in het bushokje zitten. Soms kijk ik dan op mijn smartphone om mijn mail te checken, maar meestal doe ik dat pas als ik in de bus zit. In het hokje moet ik namelijk op blijven letten of de bus eraan komt. Soms is die een paar minuten te vroeg en als de chauffeur me niet ziet zou hij zomaar voorbij kunnen rijden. Of hij te vroeg is staat dan weer niet op het schermpje. Dat laat ook niet weten of er een rit is uitgevallen, wat best handig zou zijn. Het aantal minuten verdwijnt uit beeld en wordt vervangen door de tijd waarop de volgende bus wordt verwacht. Dan baal ik wel even.
Ik erger me ook wanneer ik in de bus zit en iemand die er zo te zien al een tijd staat na het instappen eerst nog eens omstandig op zoek gaat naar zijn of haar (of diens) Ov-kaart. Zelf heb ik die natuurlijk altijd paraat wanneer de bus aankomt. 😉

Bij het heen en weer lopen tijdens het wachten kijk ik gewoonlijk naar de grond en zo zag ik dat de stoep van de halte uit verschillende tegels bestaat. Op één plaats liggen er vier verschillende exemplaren bij elkaar. Een mooie aanwinst voor mijn verzameling foto’s van stoeptegels.

Iconen

In 2022 vond ik tijdens de ISVW-cursus Kunst en filosofie in Rusland ‘iconen’ een intrigerend onderwerp. De docent, Karin Braamhorst, liet ons wondermooie plaatjes zien en hield een boeiend verhaal. Ze vertelde toen ook dat ze bezig was een boek over iconen te schrijven en dat is onlangs eindelijk verschenen. Ik heb het meteen aangeschaft en gelezen.

Iconen zijn religieuze afbeeldingen op houten panelen, gestileerde vlakke voorstellingen van Christus, Maria of heiligen in de Grieks-katholieke (Byzantijnse) kerkelijke kunst. Hun functie is het doorbreken van de barrière tussen het zichtbare en het onzichtbare, zodat de gelovige rechtstreeks in contact kan komen met God. Daarin verschilt de icoonschilderkunst van de weergave van religieuze voorstellingen in de westerse schilderkunst. Die richt zich op de zichtbare werkelijkheid, een soort illustraties van de Bijbel. In haar boek bespreekt Braamhorst iconen vanuit een kunsthistorisch perspectief.

Iconische iconen. Karin Braamhorst. ISVW Uitgevers, Leusden 2023.

In het boek komen naast de bekende personages talloze mij onbekende heiligen voor. In eerste instantie vond ik het boek wat warrig en miste ik een duidelijke structuur. Het leek een enthousiaste beschrijving van uiteenlopende iconen met een bijbehorend achtergrondverhaaltje en enkele anekdotes. Dat ik geen samenhang zag kwam waarschijnlijk doordat ik het boek ’s avonds laat las, meestal maar een paar bladzijden per keer voordat ik ging slapen. Gelukkig werd in het nawoord de opbouw van het boek nog eens uitgelegd en pas toen heb ik eindelijk ook de inleiding gelezen. Daarmee had ik natuurlijk beter kunnen beginnen, want het verhelderde veel. Daarna heb ik grote delen van het boek herlezen, overdag en met plezier.

Braamhorst maakt in de inleiding duidelijk dat het verhaal niet chronologisch is opgebouwd, maar min of meer thematisch, met ‘associatieve dwarsverbanden’. De thematische hoofdstukindeling is het kader waarin ze afzonderlijke verhalen en iconen uit verschillende tijden en tradities bij elkaar heeft gezet. Door de afbeeldingen nauwgezet te beschrijven in een historische context weet Braamhorst binnen zo’n kader allerlei interessante wetenswaardigheden naar voren te halen. Twee voorbeelden.

Het hoofdstuk ‘De geur van heiligheid’ gaat over heilige  kluizenaars zoals de heilige Onufrius, die door monniken in de woestijn werd ontdekt ‘omdat ze hem van grote afstand konden ruiken’. Kluizenaars, monniken en kerkvaders verfoeiden de heidense gewoonte van het nemen van een bad, want ‘wie in Christus heeft gebaad heeft geen tweede bad nodig,’ aldus de heilige Hiëronymus.


Dat die kerkvaders ook uitermate vrouwonvriendelijk waren blijkt uit citaten in het hoofdstuk ‘Onvolledige en gebrekkige mannen’. Op iconen wordt Maria als moeder van Jezus regelmatig afgebeeld terwijl ze het kind de borst geeft, respectvol, al zit haar borst zit vaak op een vreemde plaats, haar bovenarm of zo. Andere vrouwelijke heiligen genieten minder respect. De beschrijvingen van het ‘vreselijk zondige leven’ van vrouwelijke heiligen, zoals Maria van Egypte, noemt Braamhorst af en toe treffend ‘slutshaming’ of wraakporno. Op iconen zijn de uiterlijke kenmerken van deze Egyptische  Maria en vergelijkbare vrouwen die ‘na een zondig leven tot inkeer zijn gekomen’ vermannelijkt.


Dus pas in tweede instantie werd me het verband duidelijk tussen de verhalen en iconen die ik eerst onsamenhangend had gevonden. Het herlezen was de moeite waard.

Rouwvliegjes

Plotseling vallen ze op. Hinderlijke zwarte vliegjes die hardnekkig om je hoofd vliegen. Elke dag sla ik er wel een paar dood die niet snel genoeg zijn en op een bepaald moment zijn ze echt niet meer te negeren. Vorig jaar had ik er ook last van, maar de methode die toen werkte, de bovenste laag aarde in de bloempotten bedekken met speelzand, had deze keer weinig effect.

Op internet ontdekte ik dat deze insecten ‘rouwvliegjes’ of ‘rouwmuggen’ heten, en ook wel ‘rouwvarenmuggen’ of ‘varenrouwmuggen’ worden genoemd.  Hun officiële naam is Sciara analis. Ze leggen hun eitjes in de potgrond van kamerplanten, bij mij waarschijnlijk in die van de vorig jaar verpotte sansevieria’s.


Een eitje ontwikkelt zich in twee à drie dagen tot een larve die zich, afhankelijk van de temperatuur, na drie tot vijf weken verpopt. Drie à vier dagen hierna komt er een volwassen rouwmug uit. Volwassen mugjes leven dan nog maar twee dagen. Ze zijn op zich niet gevaarlijk, alleen erg hinderlijk, maar de larven eten hun buikje rond aan de wortels van de planten.

Op internet staan verschillende tips om ze te bestrijden. Alle planten rigoureus van nieuwe aarde voorzien vind ik vooralsnog erg ingrijpend en bovendien: hoe weet ik dat die niet besmet is. De planten mogen niet te veel water krijgen, maar dat krijgen ze toch al niet. Om te beginnen had ik bij een tuincentrum al eens gele kleefplaatjes gekocht, waar de mugjes op af vliegen en dan vast blijven zitten. Die zaten heel snel vol en de ergerlijke beestjes vlogen nog steeds rond.

Op een site voor biologische bestrijding van ongedierte wordt een combinatie aanbevolen van kleefplaten en aaltjes (feltiae of nematoden). De aaltjes los je op in water dat je op de potgrond giet. Ze dringen vervolgens de larven binnen en eten ze van binnenuit op. ‘Wanneer er geen larven meer gevonden worden en de aaltjes hun werk hebben gedaan, sterven ook deze dappere Biostrijders vanzelf af’, oftewel:  ‘Maak korte metten met deze uiterst irritante botanisch terroristen!’


Ook de site 123Planten geeft dat combinatieadvies. Dus hebben alle sansevieria’s inmiddels een verse kleefplaat en zijn ze voorzien van een plens water met opgeloste aaltjes. Het kan nog wel een paar weken duren voordat ik weet of dit afdoende is, maar ik verbeeld me dat het er al veel minder zijn.

Sluifel

Sinds mijn blog over ‘truimen’ ben ik gespitst op woorden die bij een onverwachte / onterechte afbreking een onbestaand woord opleveren. Daarop kun je dan je fantasie loslaten. En zo stuitte ik onlangs op ‘sluifel’.

In een advertentie-nieuwsbrief werd een manuele terrasluifel met een flinke korting aangeboden (slechts 199 euro, geen geld, toch?) Dat las ik even als manuele terra sluifel. Manueel, het heeft dus iets met de handen te maken, en terra is een afkorting voor de kleur terracotta, al kon je volgens die advertentie alleen kiezen uit grijs of beige. Terra is, met name in sciencefiction, ook een naam voor de Aarde. Maar wat zou een sluifel kunnen zijn?

Voor zover ik kon nagaan bestaat dat woord inderdaad niet en kon ik dus op zoek naar een passende betekenis, iets wat met handen te maken heeft en een terracottakleur kan hebben.


Eerst keek ik naar werkwoorden waarvan de vorm me aan sluifel deden denken, zoals ‘struikel’. Volgens Van Dale verhoudt struikelen zich tot struik, als strompelen tot strumpel, stronkelen tot stronk, stubbelen tot stubben, stompelen tot stomp, stommelen tot stommel en strubbelen tot strubben. Dus zou sluifel zich als vorm van het werkwoord sluifelen kunnen verhouden tot sluif. Een andere invalshoek is die van een iteratief, een herhaalde beweging. Zoals hinkelen bij hinken, is ‘sluifelen’ dan een iteratief van sluiven. Maar voor sluifel heb ik me vooral op het zelfstandige naamwoord gericht.

‘Sluif’ blijkt een bestaand zelfstandig naamwoord, met als betekenissen onder meer ‘ruim, zakvormig vingerverband, dat over de vinger wordt heen geschoven en met een bandje om de pols wordt vastgemaakt’, en ‘foedraal, hulsje voor een paraplu’. Nog een andere betekenis is ‘wilde eend, kluut’: een vogel dus, maar voor een betekenis van ‘sluifel’ leek dat vingerverband of foedraal me een vruchtbaarder uitgangspunt.


Het achtervoegsel ‘-el’ komt niet voor In de lijst van Nederlandse suffixen op Wikipedia. Wel brengt die lijst me op ideeën voor andere niet-bestaande woorden. Wat zou je zeggen van het sluifelschap, bijvoorbeeld.

En zo kwam ik met deze associaties en overwegingen uiteindelijk tot de volgende definitie:

Een sluifel is een verband waarin meer vingers tegelijkertijd apart in een (al  dan niet terrakleurig) zakje verpakt kunnen worden. Maar om daar bijna tweehonderd euro voor te betalen lijkt me wat overdreven.

Minireportage over de Swan Market

Een van de weinige televisieprogramma’s die ik momenteel trouw volg is Van Roosmalen en Groenteman op de maandagavond. Een vast onderdeel daarvan is ‘Marcels minireportage’, waarin Marcel van Roosmalen van een weinig enerverend uitstapje dat hij die week heeft gemaakt een paar foto’s laat zien, voorzien van een summiere toelichting. Die stijl probeer ik nu uit op dit verslag van onze aanwezigheid op de Swan Market.

’s Morgens waren Ingrid en ik keurig op de aangegeven tijd op de markt, om half elf, om onze kraam in te richten. De verkoop mocht pas om twaalf uur beginnen. Links lagen en stonden de schilderijtjes van Ingrid en rechts mijn Malle Eppies. Het resultaat was een kleurrijke, aantrekkelijke blikvanger, vonden we zelf.


We hadden een gunstige standplaats toewezen gekregen: op een hoek waar het publiek ons van drie kanten kon bereiken. En bovendien stonden we tegenover de Stroopwafel-King, waar zich regelmatig lange rijen vormden.


Van de rest van de markt hebben we niet veel gezien, want we konden onze kraam natuurlijk niet in de steek laten. Ingrid draaide keer op keer geroutineerd haar win-win-win-verkoopriedeltje af over het goede doel: de duurzame schorten voor De Bieslandhof van hergebruikt materiaal, die gemaakt gaan worden door een bedrijf waar mensen werken ‘met afstand tot de arbeidsmarkt’, en over de schilderijtjes van kartonnen schilderpaletjes die de deelnemers aan de schilderactiviteit hebben gebruikt. Dat verhaal hield ze zowel in het Nederlands als in het Engels.

Om zes uur mochten we weg en natuurlijk hebben we alles weer netjes opgeruimd. Enkele grote tassen met niet-verkochte waren konden weer mee naar huis en er was maar een klein tasje afval. We hebben best veel schilderijen en Malle Eppies verkocht: de opbrengst was meer dan vierhonderd euro, genoeg om het project door te laten gaan.


Dit succes was mede te danken aan het weer, want zoals bijna alle bekenden die langskwamen of die we naderhand spraken, zeiden: ‘Wat hebben jullie geboft met het weer!’ Dat vonden wij ook.

Want

Toen ik in de krant las over het wantveld, ‘waar eens Scheveningse vissers hun netten boetten’, dook er ineens een herinnering op. Als kind was ik in een boek* het zelfstandig naamwoord ‘want’ tegengekomen, een woord dat ik niet kende. Een van de dieren in dat boek laat als woning een schip bouwen: ‘ Het was een groot houten schip, dat op de grond voor anker lag, met een echt want en een boegspriet en een beschilderd roer en een hoge mast…’ en iets later:  ‘[ze] zagen hem in het heldere maanlicht boven in het want van zijn schip zitten.’

In die tijd had ik geen woordenboek en internet bestond niet. Ik zag dat ‘want’ voor me als een hangmat die tegen de schuine wand van een schip was vastgezet. In de inmiddels zo’n zestig tussenliggende jaren had ik het woord in dat verband nooit meer gezien, maar nu besefte ik dat ik er nog steeds het fijne niet van wist. Tijd voor wat achterstallig opzoekwerk.


Volgens Van Dale is ‘het want’ een verzamelnaam uit het zeewezen voor al het touwwerk aan boord, met een onderscheid tussen staand en lopend want, oftewel het vaste en het losse touwwerk. Op internet staat meer, niet altijd even begrijpelijke,  uitleg, zoals in een webshop voor zeilers: ‘Met want van een schip worden alle stagen en lijnen van de mast bedoelt… Staand want zorgt er voor dat de mast op zijn plek blijft staan. Het lopend want zijn alle vallen en het andere touwwerk.’ En op een andere site : ‘Het want is het staand tuig dat een mast zijdelings steunt. Het loopt van het hoofddek tot in de top van de mast. Het bestaat uit hoofdtouwen […]. Vroeger waren deze voorzien van weeflijnen om in het want te kunnen klimmen.’

Onderweg kwam ik weer heel wat nieuwe intrigerende termen tegen, zoals jufferblokken: blok met inkeping en drie of vier gaten, waardoor de talrepen lopen; talrepen: touw dat dient om een touw, stag of hoofdtouw te spannen; stag: dikke touwen of staaldraden die de masten en stengen naar voren (voorstag) of naar achteren (bakstag) steunen. Gelukkig laten de plaatjes min of meer zien wat ik me daarbij voor moet stellen.


In de etymologiebank las ik dat ‘want’ een nevenvorm is van het oude woord ghewant dat ‘touwwerk van een schip’ betekent. Ghewant is weer afgeleid van het werkwoord ‘winden’ en betekent letterlijk ‘dat wat om iets heen gewonden wordt’.

* Jeroen en het dorp op de heuvel, Daan Zonderland, Spectrum, 1963

Swan Market

Op zondag 14 april 2024 staan er op de Markt in Delft van 12:00 tot 18:00 kramen met allerlei handgemaakte producten. Deze markt is georganiseerd door Swan Market, die ‘zelfstandige makers en ontwerpers’ de mogelijkheid biedt hun werk te verkopen via een online platform, in een fysieke ‘concept store’ of, zoals hier, op een markt.  En in een van de kramen is die middag werk te koop van Ingrid Dam en mij.

Ingrid, die duurzaamheid en hergebruik hoog in het vaandel heeft staan, verwerkt al enige maanden ‘afval’ van de schildermiddagen voor bewoners van verzorgingshuis De Bieslandhof, waar ik als vrijwilliger werk. Zij heeft hierover geschreven in haar blog. Dat afval bestaat onder meer uit gebruikte paletbordjes en kapotte plastic schorten, die ze tot prachtige schilderwerken weet om te toveren.


Ingrid: ‘Hoe blij ik ook ben met alle materialen, ik begin ten onder te gaan aan mijn eigen succes; ik krijg het niet weggewerkt. Voor de paletbordjes begin ik nu een aardige routine te krijgen, alsook in het verwerken van het water. De schorten echter, vragen meer tijd en laat ik nu juist daar een oplossing voor hebben.’
En die oplossing is het Biesland Schorten Project: duurzame schorten laten maken door de Stichting Stunt.

Op de Swan Market zijn haar ‘paletschilderijtjes’ te koop en de opbrengst is bestemd voor dit project. Toen ze vroeg of ik hieraan mee wilde doen met mijn Eppies heb ik meteen ja gezegd. Inmiddels heb ik namelijk ook al een groot aantal Eppies gemaakt. Behalve de uitdijende verzameling driedimensionale bolle Eppies heb ik ook een hele serie ingelijste platte Eppies, gemaakt van restanten acrylgaren of geschilderd met acrylverf (oké, niet zo duurzaam). Inmiddels zijn er zelfs een paar tassen waarop een Eppie prijkt.


Dus grijp je kans op 14 april: koop een mooi schilderijtje of een unieke Eppie en je draagt meteen bij aan een beter milieu! (Ik hoop wel op mooi weer.)

Blog Ingrid: https://www.ingriddam.nl/nl/blog/

Website Ingrid: https://www.ingriddam.nl/nl/home-ned/

Papier scheppen

Ter afwisseling van het breien, haken of tekenen maak ik met mijn vaste ‘donderdagochtend creaclubje’ af en toe een uitstapje naar tentoonstellingen met papier- of textielkunst, of ondernemen we een andere inspirerende activiteit. Zo hebben we op 21 maart een workshop ‘papier scheppen’ gevolgd bij Tantiri, een circulair bedrijf dat gespecialiseerd is in ‘het hergebruik en opwaarderen van papier’.

Stap voor stap legde de workshopleidster Patricia Ringeling uit hoe we te werk moesten gaan om van oud papier nieuw papier te maken, op een zo milieuvriendelijk mogelijke manier. Als basismateriaal gebruikten we papier dat je normaal bij het oud papier dumpt, zoals het ribbeltjeskarton van rollen beschuit, verpakkingen van theezakjes  en belastingenveloppen. Dat restpapier scheur je in kleine stukjes die je in een bepaalde verhouding in een bakje water gooit en goed door elkaar roert. Wij werkten met 5 gram papier op 300ml water voor een papiertje van A6-formaat.

Zodra de snippers min of meer verzadigd zijn mix je het pulpmengsel nog een paar seconden in een blender en giet dat vervolgens in de pers. In dit stadium kun je eventueel nog wat ‘versieringen’ aanbrengen. Daarna maak je het voorzichtig droog, tussen oude kranten, die je naderhand ook weer kunt drogen en hergebruiken.


Na twee uur hadden we alle vier drie verschillende velletjes A6 gemaakt: één met gedroogde bloemblaadjes, één met een klein plaatje en één waarvoor we gekleurd papier hadden gebruikt. Het resultaat is steeds een verrassing. Mijn plaatje, een slak, kwam niet ongeschonden door, maar de insecten van de anderen waren prachtig.  Het duurt vrij lang voordat het papier echt droog is, maar goed ingepakt konden we onze resultaten na afloop mee naar huis nemen, waar ze verder kon drogen.


De techniek inspireert tot allerlei experimenten met verhoudingen, toevoegingen en kleuren en is met betrekkelijk eenvoudige middelen ook thuis toe te passen. In plaats van een blender kun je bijvoorbeeld een staafmixer gebruiken en in plaats van de pers een springvorm voor appeltaart of een borduurraam waarin je in plaats van horrengaas een oude kussensloop spant. Restpapier verzamelen is natuurlijk geen enkel probleem, dat heb ik in alle mogelijke diktes en kleuren in huis, en anders maak ik een korte excursie naar de papierbak.

Zo heb ik kennisgemaakt met een nieuwe techniek die ik graag eens wil uitproberen om toe te passen in lopende projecten.