Sansevieria-oogst

Al vanaf het begin van dit blog in 2017 rapporteer ik af en toe over het wel en wee van de naamgevers ervan, mijn sansevieria’s. Na de noodkreet uit 2020, toen ze danig aangeslagen waren omdat ze tijdens een nachtvorst op het balkon hadden gestaan, kon ik afgelopen zomer melden dat het weer goed met ze ging: ‘Sindsdien mogen ze binnen blijven en dat heeft geholpen. Ze zijn helemaal bijgekomen, en meer dan dat: sommige bloeien zelfs! Niet kapot te krijgen, die naamgevers van dit blog’.

Het ging inderdaad goed met ze, meer dan goed zelfs. Ze groeiden zo enthousiast dat de acht flinke planten inmiddels bijkans uit hun pot begonnen te barsten. Vijf daarvan heeft Anita voor me op een weggeefsite gezet, waar ze binnen de kortste keren weg waren. Eén ervan had ze  eerst ‘gescheurd’, wat een manier is om ze te stekken, en dat resulteerde maar liefst in zes nieuwe exemplaren. Die vijf uithuisgeplaatsten hebben dus minstens tien nieuwe planten opgeleverd.

Hier staan de vijf weggevertjes in de gang te wachten op de lift, op weg naar hun nieuwe bestemming.

Drie van de grote exemplaren had ik gehouden. Zij stonden op de nominatie om ook gescheurd en verpot te worden, zodat de wortels wat meer ruimte zouden krijgen. Daarvoor waren natuurlijk verse aarde en een paar nieuwe bloempotten nodig. Bij ons bezoek aan een tuincentrum lukte het om de vroege kerstshows te omzeilen en toen konden we aan de slag.

Het bleek best moeilijk om de planten met hun innig verstrengelde wortels los te krijgen, maar met z’n tweeën lukte het. De hele tafel lag op een bepaald moment vol sansevieriadelen, in afwachting van een nieuwe, ruimere behuizing.


Uiteindelijk leverde deze actie maar liefst zestien nieuwe sansevieria’s op, waarmee de totale oogst van de oorspronkelijke acht exemplaren op minstens zesentwintig nieuwe uitkomt, een verbazingwekkend aantal! En de kans is groot dat ook die allemaal binnen een paar jaar weer uit hun nieuwe jasje groeien. Ik had gehoopt dat deze actie ook wat ruimte in huis zou opleveren, maar daarin heb ik me dus behoorlijk vergist.


Eerdere blogstukjes over de sanseviera’s:

8 september 2017

12 juni 2020

2 juni 2023

Alien-inspiratie

Bij de schildercursus kregen we onlangs een opdracht die werd geïllustreerd met een foto van een microscopisch organisme die was gemaakt met behulp van een elektronenmicroscoop. De voorbeeldfoto deed denken aan een buitenaards wezen en die gedachte zette me op een ander, ouder spoor. In 2017 had ik namelijk naar bruikbaar beeldmateriaal gezocht toen ik iets met aliens wilde doen. Dat alien-idee had ik al snel laten varen, maar mijn toenmalige aantekeningen had ik nog wel bewaard.

Toen had ik ook al gezocht naar weergaven van microscopisch kleine organismen, zag ik. De daarbij gebruikte termen, zoals foraminifera, radiolaria en diatomeeën, spreken op zich al tot de verbeelding en ze leveren mooie plaatjes op. Soms zijn dat foto’s die met behulp van een microscoop zijn gemaakt, en soms met uiterste precisie getekende prenten, zoals het werk van de Duitse bioloog Ernst Haeckel. Zijn boek Kunstformen der Natur bevat gravures van verschillende planten en dieren, uiteenlopend van coniferen tot kikkers en vleermuizen, maar hij heeft ook fossiele skeletten getekend van microscopisch kleine organismen, zoals in het plaatje hieronder, met radiolaria (links) en diatomeeën (rechts).


De foraminifera, radiolaria en diatomeeën hebben ook een ‘gewone’, Nederlandse naam.

Zo heten radiolaria ook wel ‘stralendiertjes’. Zij hebben een kiezelskelet van siliciumdioxide dat niet oplost in zeewater, zoals een kalkskelet. De afzettingen van die skeletjes zijn belangrijke gidsfossielen voor het dateren van gesteentelagen. Ook de diatomeeën of ‘kiezelwieren’ hebben een kiezelskelet, maar hun vorm is heel anders. Hun skelet bestaat uit twee helften die als een doos en deksel in elkaar passen. Zij zijn verantwoordelijk voor ongeveer 20 tot 50 procent van de totale zuurstofproductie en hebben een belangrijke functie bij paleo-ecologisch onderzoek.

‘Gaatjesdiertjes’ of ‘krijtdiertjes’ zijn synoniemen voor foraminiferen. Het zijn in zee levende, eencellige diertjes met een uitwendig kalkskelet dat meestal is opgebouwd uit kamers. Het kalksteen van de krijtrotsen van Dover bestaat uit fossiele foraminiferenskeletjes. Ook foraminiferen zijn belangrijke gidsfossielen. Op internet staat een database met foraminifera, met een bijbehorende fotogalerij.


Deze plaatjes zijn niet direct een inspiratiebron voor het verzinnen van een alien, maar de zoekterm ‘diepzee leven’ levert een aantal bruikbare monsters op, zoals deze reuzenpissebed uit de top tien van griezels uit de diepzee, niet microscopisch klein maar bijna een halve meter lang!

Valpreventie

Sinds een paar weken volg ik bij Fysiotherapie Medisch Centrum Delft de cursus ‘Vallen Verleden Tijd’ voor 65+ers. Afgelopen jaar was ik een paar keer gevallen, met gekneusde ribben tot gevolg, en ook het opstaan na een val was een probleem. De fysiotherapeut wees me op het bestaan van deze cursus, waarbij ik aanvankelijk dacht aan waarschuwingen voor gevaarlijke kleedjes in huis. Nu is voorkomen altijd beter dan genezen en na enige uitleg over de inhoud van de cursus heb ik me opgegeven. En wat blijkt: het is niet alleen leerzaam, maar ook erg leuk!

Er zijn twee hoofdonderdelen: het leren vallen, op een mat gelukkig, en het lopen van een hindernisbaan die steeds een stukje moeilijker wordt. Bij het leren vallen doen we oefeningen die je ook thuis kunt (moet / zou kunnen) doen. Het moet een automatisme worden om bij een val je hoofd recht te houden en je arm en romp zo te buigen dat je over je schouder doorrolt en niet met een harde klap op straat belandt.


Met twee begeleidsters trainen wij, de vier cursisten, op de hindernisbaan situaties uit het ‘echte leven’. Het parcours bevat bijvoorbeeld een ‘Belgische stoep’, die grote overeenkomsten vertoont met de stoepen in Delft, en hellende vlakken, eveneens ruimschoots voorhanden in Delft. Een ander onderdeel zijn onregelmatig neergelegde stukken vloerbedekking waar je overheen moet lopen alsof het ‘stepping stones’ in een rivier zijn.


Dit parcours wordt elke les wat moeilijker gemaakt. Je legt het dan bijvoorbeeld af met een zonnebril op, of met een afleidend verhaaltje waarbij je op bepaalde signaalwoorden of geluiden moet reageren. Afgelopen week moesten we de route lopen met een dienbled vol plastic bekertjes in je handen. Ik blijk niet in de wieg gelegd voor kelner, want bij mij vielen de bekertjes een paar keer om. Gelukkig waren ze leeg.


Nu ben ik als ik val inderdaad meestal ‘met mijn hoofd elders’, dus het nabootsen van allerlei afleidende factoren is heel nuttig. En als je dan toch afgeleid wordt (smartphone!) kun je het beste even stil blijven staan.

We krijgen tussendoor ook nog wat losse praktische tips: ga geen dubbeltjes zoeken maar kijk een paar meter voor je uit, neem iets grotere stappen want dan moet je je voeten hoger optillen. Laat je in gezelschap niet opjagen, maar probeer je eigen tempo aan te houden. En let in dit jaargetijde extra op verraderlijk gladde herfstbladeren!

Vignet

Het woord ‘vignet’ kende ik als een soort exemplarisch symbool, zoals de betekenis in de opmerking ‘Van Moof was in meer opzichten een vignet voor een veranderende tijd’*. Daarnaast las ik onlangs over een of andere componist die een aantal vignetten had geschreven. Het woord heeft dus verschillende betekenissen. Van Dale noemt er zes, met degene die ik kende als tweede.

De eerste betekenis is ‘boekversiering’. Dan is het een bibliografische term voor een ‘typografisch ornament dat een scheiding aangeeft tussen hoofdstukken of andere tekstonderdelen’. Vignet is afkomstig uit het Frans als verkleinwoord van vigne (wijnstok), want zo’n gestileerde versiering stelt vaak een bebladerde tak van een wijnstok voor.

Een ‘vignet’ is daarnaast ook de term voor een sticker die dient als bewijs dat je in het bezit bent van een bepaalde vergunning, bijvoorbeeld om in het buitenland toegang te hebben tot het verkeersnetwerk (wegen, bruggen en tunnels).


Bij de vignetten die de componist schreef gaat het echter waarschijnlijk om de zesde betekenis van vignet in Van Dale: ‘zeer kort verhaal’. In het Algemeen letterkundig lexicon (in dbnl) staat dat ‘vignet’ in de literatuurstudie ook wordt gebruikt voor ‘een kort tafereel waarin een personage of bepaalde locatie op treffende wijze getypeerd wordt. Het kan gaan om een korte onafhankelijke tekst (bijv. een kortverhaal) of om een semi-autonoom onderdeel van een langere tekst, maar in beide gevallen is de bijdrage tot de plot ondergeschikt aan sfeerschepping en beschrijving.’ Die composities zijn dus korte sfeerstukjes.

Vignetten als korte beschrijvende schets worden ook gebruikt bij onderzoek: de vignettenmethode. De vignetten zijn hierbij kaartjes  waarop aan de hand van verschillende kenmerken een situatie wordt beschreven. Ondervraagden krijgen een aantal van deze vignetten voorgelegd en moeten dan een rangorde aangeven voor de beschreven situaties.


De twee overige betekenissen zijn ‘passe-partout voor het maken van afdrukken met vervloeiende omtrek’, een technische term uit de fotografie, waar vignettering het afnemen van de helderheid in de hoeken van een afbeelding of foto ten opzichte van het midden is. En tot slot wordt ook een ‘versiering in borduurwerk op zakdoeken e.d.’, een vignet genoemd.


* De Groene van 27/7/2023 in de rubriek Het Einde

Vakantie 2023

En nu is de vakantie alweer voorbij.  Met zus Carla en schoonzus Ella zat ik in een vakantiehuisje op de Utrechtse Heuvelrug en daar hebben we weinig opzienbarends gedaan: wandelen, fietsen, lezen, handwerken, uit eten gaan en op een terrasje zitten, en bovendien was het prima nazomerweer.

Het was allemaal heel ontspannen. We hebben bijvoorbeeld geen wolf gezien, maar wel stond er bij de ingang van het park een in een boom uitgesneden vos. En buiten het huisje rende er af en toe een eekhoorn voorbij.


Op onze gehuurde fietsen zijn we een middag naar Huis Doorn gegaan, de plaats waar de Duitse keizer Wilhelm II na de Eerste Wereldoorlog heeft gewoond. Dat huis is tegenwoordig een museum en het was weliswaar toegankelijk, maar alleen met een rondleiding van een uur onder leiding van een gids. Daar hebben we maar van afgezien, ook omdat we vermoedden dat we veel trappen op en af zouden moeten. Wel hebben we in het uitgestrekte park gewandeld, waar we onder meer langs de plaats kwamen waar een houtzagerij was geweest. Houthakken was namelijk de grote hobby van die keizer. In het paviljoen, de voormalige garage, hebben we een tentoonstelling bezocht over Nederland in de Eerste Wereldoorlog. Indrukwekkend, maar ook dieptreurig dat er eigenlijk nog maar zo weinig is veranderd.


In het weekend kwamen er een paar andere familieleden op bezoek en hebben we ’s avonds gekaart. Van mijn Vlaamse schoonzus Kathleen heb ik daarbij een paar nieuwe kaarttermen geleerd. Een Zot is niet de Joker, zoals ik dacht, maar de Boer. En pijk is schoppen. ‘Pijke Zot’ is dus een Vlaamse schoppenboer. Achteraf had ik dat kunnen weten, want dat pijk is afgeleid van het Franse pique (dat ik ken van de opera Pique Dame, Schoppenvrouw, van Tsjaikovski).  En onze Ruiten heten in Vlaanderen Koeken.

In een Vlaams kaartspel heeft de Boer een V als hoekmarkering, van valet, een Franse bediende. Wat mogelijk voor verwarring zorgt met een Nederlands spel waarin de V voor de Vrouw staat. Op Wikipedia vond ik een handig plaatje waar een en ander bij elkaar is gezet.

Haastige spoed…

Omdat ik deze week op vakantie ben had ik vorige week alvast een stukje voor mijn blog voorbereid. Helaas maakte ik inderhaast een fout met het inplannen en werd de mail met de aankondiging onmiddellijk verstuurd, terwijl het stuk nog bij de concepten stond. Toen heb ik het toch maar meteen online gezet, anders krijgt iedereen die het vanuit dat mailtje wil bekijken een foutboodschap.

Dus het blogje van deze week is in feite vorige week al verschenen. Omdat ik vast wil houden aan de wekelijkse frequentie publiceer ik deze keer een kattenplaatje. Katten schijnen het goed te doen op internet.

2023 Tangramkat van verknipte aquarel, bewerkt met fineliner; 10×15 cm

Malle Eppies – een jaar later

In oktober 2022 heb ik een blogstukje geschreven over Malle Eppie, ‘een soort kopvoeter met krullen en grote oren’, gemaakt van restjes wol en acryl. Op dat moment had ik er drie gemaakt en een daarvan was toen op een tentoonstelling te zien. Sindsdien heeft dit ’malle-Eppie-project’ een grote vlucht genomen.

Inmiddels heb ik namelijk al meer dan tien ‘platte Eppies’ gemaakt en zeven ‘bolle Eppies’, een soort zachte knuffels. Zes van de platte Eppies met een afmeting van dertig bij dertig centimeter 30×30 cm heb ik verwerkt in een soort ‘modulair’ wandkleed dat in theorie uitgebreid kan worden voor een veel grotere wand. Met de huidige afmeting past het goed in de gang. Andere platte Eppies vinden een bestemming als vrolijke applicatie op een katoenen tas.

Dit is nog maar de oogst van één jaar! Zolang ik het leuk vind ga ik ermee door en dat kan gemakkelijk, want ik heb genoeg restjes voor een hele kudde Eppies! Bovendien kunnen ze behalve van textiel ook met andere materialen gemaakt worden, twee- of driedimensionaal. Dus wie weet heb ik over een jaar een map vol getekende en geschilderde Eppies en leef ik me uit op Malle Eppie cup cakes.

Een eerste niet-textiele spin-off is er al, want  de Eppies nu een eigen lied, het Malle Eppies-lied:

Wij zijn de Eppies, de malle Eppies.
Wij zijn gemaakt van garen en draad,
Van restjes wol, acryl, katoen.
Opsmuk met knopen, clipjes en kralen
Geeft ons een feestelijk, kleurrijk gewaad.
Gebreid – gehaakt – plat of bol:
Wij zijn de
> kleurige, fleurige, suffige,
> grijnzende, glanzende, sjansende
> lobbige, lollige, leutige
Malle Eppies!

mp3 :

Loer

Na het lezen van De Graal van Chretien de Troyes (zie het blogstukje van 26 mei 2023) ben ik ook andere boeken over koning Arthur en zijn ridders gaan lezen, zoals Parzival van Wolfram von Eschenbach uit het begin van de dertiende eeuw en Arthur – De koning van eens en ooit, in de nieuwe vertaling door Jolande van der Klis van Arthur – The Once and Future King van T.H. White uit 1958. Een van de leuke kanten van dergelijke boeken is dat je met een compleet nieuw vocabulaire in aanraking komt, bijvoorbeeld de namen van onderdelen van een harnas en verschillende handelingen tijdens een lansgevecht of steekspel.

Een bekend woord dat hier in een andere context opdook was ’loer’ als term voor een lokvogel bij de valkenjacht. Toen ik naderhand in de krant iets las over een risico dat ‘op de loer lag’, leek het me goed om er eens wat dieper in te duiken, want bij op de loer liggen heb ik het beeld van iemand die verscholen in een hinderlaag ligt te wachten, en het verband met een lokvogel ontging me.

Loer blijkt inderdaad twee verschillende betekenissen te hebben. Op de loer liggen is afgeleid van het werkwoord loeren: scherp uitkijken om iets of iemand te betrappen of te vangen. Een loer draaien, oftewel iemand een poets bakken, bedotten, komt van de tweede betekenis: kunstprooi, met leer beklede houten vogel, gevleugelde klos, voorzien van een stuk vlees (om vogels na een mislukte vlucht terug te lokken). Deze loer is een nevenvorm van luur of luier. De uitdrukking iemand in de luren leggen heeft min of meer dezelfde betekenis. Behalve voor de kunstprooi wordt loer ook wel algemener gebruikt voor lor of vod.


Het loer draaien is een belangrijk middel bij de opleiding van valken. Hoe dat in zijn werk gaat is te lezen in een uitgebreid artikel over het africhten van valken op de site geschiedenis.nl. Een kortere samenvatting van het gebruik van de loer staat onder meer in een artikel op Historiek.net en in een artikel in de schatkamer van Onze Taal. Daar komt ook ter sprake dat er verschillende meningen zijn over de herkomst van het woord, wat ook duidelijk wordt in de Etymologiebank.


Zo steek je uit ridderromans naast wetenswaardigheden over het steekspel soms ook nog wat op over andere onderwerpen.

Oulipo

De laatste tijd kwam ik regelmatig het woord ‘oulipo’ tegen. Zo heeft het blog VandaagsVertaalProbleem van Robbert-Jan Henkes af en toe een ‘oulipojaanse oefening’ onder de noemer ‘associatieve assonanties’, zoals in dit stukje, waarin hij een bestaand gedicht ‘vertaalt’ op basis van rijm en klank. Dat schijnt het beste te werken bij een taal die je niet kent.

Daarna kwam ik het woord tegen in een bijdrage van Andreas Dijkzeul aan VertaalVerhaal over het vertalen van werk van Hervé le Tellier. Deze auteur bleek onder meer voorzitter te zijn geweest van Oulipo ‘de in 1960 opgerichte groep van schrijvers en wiskundigen, waarvan de leden er een spel van maken literaire werken te creëren die aan bepaalde voorschriften en beperkingen gebonden zijn’.


Oulipo is de afkorting van Ouvroir de littérature potentielle oftewel ‘Werkplaats voor potentiële literatuur’. De beperkingen die de leden van die groep zich opleggen zich bij het schrijven bestaan bijvoorbeeld uit het al dan niet gebruiken van bepaalde letters of woorden. Dat doen ze niet alleen als een leuk tijdverdrijf, maar ook om hun inspiratie en vakmanschap te trainen. Taalspelletjes op niveau, dus.
Bekende voorbeelden van oulipojaans werk zijn de Exercices de style van Raymond Queneau uit 1949, waarin hij een alledaagse gebeurtenis in negenennegentig verschillende stijlen vertelt. Rudy Kousbroek heeft hiervan een Nederlandse vertaling gemaakt, Stijloefeningen, waarvan enkele voorbeelden in DBNL staan, in jaargang 5 van het tijdschrift Bzzlletin.


Een ander voorbeeld is de roman La Disparition van Georges Perec uit 1969, waarin de letter e ontbreekt en dat in 2009 door Guido van de Wiel in het Nederlands is vertaald als ’t Manco. De tegenhanger daarvan, Les Revenentes uit 1972, met de e als enige klinker, is als De wedergekeerden in 2022 in het Nederlands vertaald, eveneens door Guido van de Wiel.

In Nederland staan verschillende oulipojaanse voorbeelden in Opperlan(d)se taal- en letterkunde van Hugo Brandt Corstius, oftewel Battus, waarvan de versie uit 1981 dat in DBNL te lezen is. In hun blog HofHaan hebben Martin de Haan en Rokus Hofstede verschillende stukjes aan oulipo gewijd.


Als je de voorbeelden leest krijg je zin zelf aan de slag te gaan met betrekkelijk eenvoudige oefeningen als: ‘Schrijf een tekst met woorden van één lettergreep.’ Literatuur levert het bij mij niet op, maar het is vooral heel leuk om zo met taal te spelen.

Geen woorden maar draden

Vorige week heb ik in Rotterdam de tentoonstelling ‘Geen woorden maar draden’ in het Wereldmuseum bezocht. Er zijn prachtige werken te zien, waar ongetwijfeld heel wat uurtjes priegelwerk in zitten. Zo werd voor een meisje door haar moeder soms al aan een trouwjurk begonnen als ze vier jaar oud was, en dan nog moesten tegen de tijd dat het zover was verschillende andere borduursters meehelpen om hem af te krijgen.

Behalve veel moois was er ook veel inspirerends te zien. Af en toe kreeg ik zin om meteen aan de slag te gaan en bijvoorbeeld zelf te proberen een simpel tasje met een eenvoudig streeppatroon te maken. En uiteraard spraken de geruite kleden met in elk vierkantje een ander patroon me aan, leuk om zelf te ontwerpen. Heel nuttig vond ik het om te zien hoe sommige gewaden tentoongesteld werden. Ze waren simpelweg over een opgehangen cilinder gedrapeerd. Bij mijn formaat werkjes is daarvoor het karton van een keukenrol prima te gebruiken, lijkt me.

Vaak waren de tentoongestelde werken gemaakt voor speciale gelegenheden,  zoals luxueuze met zilver- en gouddraad versierde kleding voor feesten en bruiloften, en rituele gewaden voor bepaalde functies. Ambtenaren in het oude China mochten trouwens pas vanaf een bepaalde rang een geborduurde draak op hun jasje hebben.

Er hingen ook enkele arpillera’s, patchworkachtige wandkleden waarin behalve verschillende borduursteken ook andere handwerktechnieken waren gebruikt. Arpillera’s werden vaak gemaakt door groepen vrouwen om politieke thema’s zichtbaar te maken. In Chili was het bijvoorbeeld een daad van verzet tegen de militaire dictatuur van Pinochet. Tegenwoordig wordt er echter ook wel een geïdealiseerd landelijk leven afgebeeld.

Het woord arpillera zelf werd niet verder uitgelegd. Thuis heb ik het opgezocht: het is het Spaanse woord voor een bepaalde stof, in het Engels burlap, in het Nederlands zakkengoed, jute of gonje, een uit Indische hennep geweven grove stof. De kleden hebben dan ook vaak een jute-achtige stof als basis.

De tentoonstelling ‘Geen woorden maar draden’ duurt nog tot en met 22 oktober.